Thomas van Aquino over handel

Thomas van Aquino

Thomas van Aquino

Of het geoorloofd is in de handel iets duurder te verkopen dan men het gekocht heeft.

Ik antwoord hierop dat handelaar-zijn zeggen wil: zich toeleggen op de ruil van goederen. Maar er is, zoals de Wijsgeer [Aristoteles] zegt in het eerste deel van zijn Politica (h. 5 en 6) tweeërlei soort van ruil. De een als het ware van nature en noodzakelijk, dat is namelijk de ruil waarbij een goed tegen goed of goederen tegen geld worden geruild omwille van de benodigdheden van het leven. En deze soort van ruil behoort eigenlijk niet tot de handel maar meer tot de (staat)huishoudkunde, welke tot taak heeft het huishouden of de staat te voorzien van de dingen die voor het leven noodzakelijk zijn. De andere soort van ruil evenwel is die waarbij geld tegen geld of het een of ander soort goederen tegen geld geruild worden, niet omwille van de noodzakelijkheden van het leven, maar om winst te verwerven. En het is deze soort van ruil die in de eigenlijke zin tot de handel schijnt te behoren, volgens de Wijsgeer.

Lees verder

De reformatie van het economisch denken. Calvinistische economie in Nederland, 1880-1948

Diepenhorst-k

Diepenhorst

1. Inleiding

Schijnbaar vanuit het niets verschijnen in 1904 twee proeven van Calvinistische economie. Althans dit is hoe de recensenten van het gezaghebbende Nederlandse tijdschrift De Economist de boeken van mr. P.A. Diepenhorst en mr. T. de Vries omschrijven. Diepenhorst geeft in het bewuste proefschrift Calvijn en de economie echter te kennen dat er “geen sprake” van is “dat hier eene poging zou worden gewaagd, om een stelsel van economie op Calvinistische grondslag te leveren”. Het doel van zijn verhandeling is slechts “de gedachten, door Calvijn omtrent enkele economische onderwerpen verkondigd, in het licht te stellen”.[1] Ook De Vries is terughoudend in de doelstelling van zijn boek. Zijn Beginselen der Staathuishoudkunde vormt een bijdrage waarmee “de voet gezet wordt op den weg tot een wetenschappelijke behandeling der economie op den grondslag der Calvinistische beginselen”.[2] Beide auteurs geven aan het begin van de twintigste eeuw dus te kennen nog niet te zijn toegekomen aan de daadwerkelijke formulering van een calvinistische economie.

Lees verder

‘Goddelycke œconomie’. Economische goddelijke voorzienigheid en de commercialisering van het leven

Tucker

I.

Ruilhandel en koophandel zijn van alle tijden. Diep in de menselijke natuur, aldus Adam Smith, bevindt zich een neiging tot ruilen, handelen en het uitwisselen van het ene goed tegen het andere. Deze geneigdheid komt niet ongelegen, aangezien de mens al sinds het verlaten van het aardse paradijs wordt geconfronteerd met het economische probleem van schaarste. Omdat de mens zonder uitwisseling van goederen en diensten niet kan overleven, wordt al sinds mensenheugenis handel gedreven. Wat echter radicaal verandert in de geschiedenis van de westerse beschaving is de plaats en waardering van handel. Wat het eerste betreft heeft handel zeer lang in een kwaad daglicht gestaan. Invloedrijke denkers als Plato, Aristoteles, Augustinus en Thomas van Aquino, om slechts enkele namen te noemen, waren niet onverdeeld positief over deze basale menselijke neiging. Handel werd in de klassieke oudheid en Middeleeuwen niet zelden geassocieerd met het rijk van de ondeugd en de zonde, met name als het handel drijven met het oog op winst betrof. De koopman stond dan ook zeer laag in aanzien.

Lees verder

Dooyeweerds filosofie van de economie

Dooyeweerd

Abraham Kuyper heeft herhaaldelijk gewezen op de noodzaak van een eigen calvinistische economische wetenschap. Er zouden daadwerkelijk economen met dergelijke idealen opstaan, maar hun normatieve wetenschapsbeoefening werd overschaduwd door het opkomende economisch positivisme. Herman Dooyeweerd heeft als leerling van Kuyper de calvinistische economie voorzien van een filosofisch fundament. In dit artikel wordt de aan zijn ‘wijsbegeerte der wetsidee’ ontleende filosofie van de economie samengevat en in context geplaatst. Er wordt uiteengezet hoe Dooyeweerds filosofische interpretatie van Kuypers beginsel van soevereiniteit in eigen kring uitmondt in (de noodzaak tot) een ‘intrinsiek christelijke economische theorie’. Dooyeweerd blijkt een uitgesproken voorstander van een normatieve economie, zowel in wetenschap als praktijk.

Klik hier om het artikel te lezen.

Het artikel is verschenen in Radix, vol. 37, no. 3 (2011), pp. 191-201.

The relationship between economics and ethics and the light Dooyeweerd sheds on it

Dooyeweerd

1. Introduction

That there exist intersections between economics and ethics cannot be passed over in silence. They are usually discussed under the heading of ‘economics and ethics’, ‘normative economics’ or ‘welfare economics’. Recently there is even something going on named “the revival of economics as a moral science” (Peil & Van Staveren 2009: xvi). It refers to the initial rise of classical economics as a branch of moral philosophy, the marginalization of the ethical dimension in neoclassical economics and nowadays a renewed interest in the relationship between economics and ethics. Others have used related slogans like “the revival of political economy” (Bowles & Gintis 1993) and “the collapse of the fact/value dichotomy” (Putnam 2002, 2003) in economics. In my opinion these ideas give rise to the rejection of a narrow value-neutral and positivist conception of economic science in which economics and ethics have nothing to do with each other. Recently various authors have indeed stressed the importance of ethics for the economic science. Daniel Hausman and Michael McPherson (2006) for example argue that moral philosophy can enrich economic theory and to some extend is already implicitly part of it. Economists should therefore take ethics seriously. Amartya Sen (1987), in turn, emphasizes that economists should pay greater attention to ethical considerations that shape and affect economic behaviour.

Lees verder

‘Philosophy to the glory of God’. Wittgenstein on God, religion and theology

Wittgenstein

“the next best thing to being really inside Christendom is to be really outside it”
G.K. Chesterton, The Everlasting Man (1925)

1.   Introduction

It is said that Ludwig Wittgenstein (1889-1951)[1] admired St. Augustine. And indeed, references to this church father can be found in his work frequently. If I am right this is quite remarkable for a philosopher who can be considered as the founder of the analytic philosophical tradition. Since the question that arises is whether Wittgenstein would in the end believe Augustine’s theology makes sense. What is for example the philosophical meaning of Augustine’s statement in his Confessiones that “to praise you [God] is the desire of man, a little piece of your creation. You stir man to take pleasure in praising you, because you have made us for yourself, and our heart is restless until it rest in you”?[2] It may be doubted whether Wittgenstein conceived such language as meaningful. After all, his best-known statement is undoubtedly ‘what we cannot speak about we must pass over in silence’ and agnostics and atheists have used it to stress that we cannot and should not speak about God. So the question that occupies me in this essay is how the analytic philosopher Wittgenstein and Augustine, as representative of religious thought, can be reconciled.

Lees verder

McGraths weerbare theologie

McGrath

McGrath

Eén van de meest inspirerende theologen van dit moment is Alister McGrath (1953).  Dit komt met name tot uiting in zijn pogingen tot weerlegging van het atheïsme en verdediging van het klassieke christelijk geloof en meer in het bijzonder de natuurlijke theologie. McGrath – zelf een ex-atheïst – herkent als geen ander de moderne twijfels bij het christelijk geloof en weet deze op redelijke gronden ongedaan te maken. Opgeleid als theoloog en scheikundige, gepromoveerd in de moleculaire biofysica, een hoogleraarschap historische theologie te Ofxord, is hij momenteel professor in ‘Theology, Ministry and Education’ en hoofd van het ‘Centre for Theology, Religion and Culture’ aan het King’s College te Londen.

Lees verder