Over het bestaan van God

Binnen orthodox-protestantse milieus is het geen vraag en als dat het wel is dan in ieder geval een ongelovige vraag. Namelijk de vraag naar het bestaan van God. Het theïstische godsbeeld, met een persoonlijke God die alles regeert, staat nog fier overeind.  Recent onderzoek wijst echter uit dat één op de zes predikanten in Nederland niet meer weet of er een hogere macht bestaat of dit zelfs ontkent.[1] Ongetwijfeld is dit een verschijnsel dat samenhangt met de secularisering van de westerse beschaving. Dat dit vruchten zijn van de verlichting is maar ten dele correct. Juist de westerse filosofie heeft zich altijd bezig gehouden met het bestaan van God en zeker niet alleen in ontkennende zin. Persoonlijk ben ik altijd erg geboeid door pogingen om het bestaan van God te bewijzen of dit aannemelijk te maken. In dit artikel wil ik uiteenzetten op welke manieren dit geprobeerd is, hoe zich dit verhoudt tot het kerkelijk leergezag, wat de (on)zin is van godsbewijzen en sluit ik af met een persoonlijke noot.

Introductie

Een voor de hand liggende openingsvraag is wat we precies verstaan onder een godsbewijs[2]. Waar hebben we het over als we God willen bewijzen? Een godsbewijs is zoiets als een logische redenering om het bestaan van God te bewijzen. Wat – of beter wie – met deze ‘God’ wordt bedoeld is vaak onduidelijk, zoals verderop ook zal blijken, maar vaak is dit af te leiden uit wie het bewijs heeft opgesteld en de context daarvan. Een godsbewijs valt vaak uiteen in twee stappen, namelijk in een ‘demonstrandum’ en een ‘demonstratie’. In de eerste stap wordt het wezen dat bewezen moet worden gedefinieerd, in de tweede stap wordt het wezen daadwerkelijk aangetoond. Aan het ‘demonstrandum’ wordt veelal weinig aandacht besteed. [3] Een belangrijke veronderstelling is “dat de mens uit zichzelf, dat wil zeggen door middel van zijn natuurlijke vermogens, door waarneming en redelijk denken,  God kan kennen, of dat met andere woorden een ‘natuurlijke’ godskennis mogelijk is”.[4]

Het bestaan van God is niet per definitie verbonden aan het theïsme. Het theïsme gaat uit van de transcendentie en immanentie van God, dit wil zeggen het boven alles verheven zijn, maar ook het aanwezig zijn in de wereld en het wereldgebeuren.[5] Eigenlijk is dit het meest behoudende godsbeeld. Andere voorbeelden van godsbeelden die ook het bestaan van God erkennen zijn deïsme en pantheïsme. Het deïsme stelt dat God het heelal heeft geschapen en uit zichzelf laat functioneren, maar niet voordurend ingrijpt en aanwezig is in de werkelijkheid. De pantheïstische visie stelt dat er in feite geen grens is tussen God en het natuurlijke. God is geen persoon, maar God is in alles en alles is in God. Hoewel we misschien niet vertrouwd zijn met deze laatste twee visies zijn ze toch niet ‘goddeloos’ te noemen. Het bewijzen van het bestaan van God richt zich primair tegen het atheïstische godsbeeld, dat puur stelt dat er geen God is. Geen persoonlijke God, geen onpersoonlijke God, gewoon geen God.

Historisch overzicht

Het godsbewijs is niet iets specifieks voor theologen. Integendeel, het bewijzen van het bestaan van God is vooral een filosofische aangelegenheid. Eigenlijk waren filosofie en theologie in hun oorsprong ook niet van elkaar onderscheiden. In het oude Griekenland en de nabije omgeving, de bakermat van de westerse filosofie, is het dagelijks leven nog één. Het dagelijks leven voltrok zich langs religieuze rituelen en de goddelijke machten speelden hierin een belangrijke rol. De eerste filosofen hadden niet genoeg aan de godenverhalen en wilden begrijpen hoe de wereld echt in elkaar stak. Dit was de reden dat de botsing tussen de oude filosofie en de joodse leer aan het begin van de jaartelling uitbleef, want beiden was het te doen om een ‘van bijgeloof gezuiverde godsgedachte’.[6] Van de ene kant zijn het dus de christelijke apologeten van de ware God die aanknoopten bij de kritiek van de filosofen op het veelgodendom en van de andere kant de filosofen die in de God van Israël die ene God herkenden.[7]

In de westerse geschiedenis kunnen we grofweg vier periodes onderscheiden met betrekking tot het godsbewijs. In het voorchristelijke periode zijn het wijsgeren als Plato (427-347), Aristoteles en anderen die zich bezighouden met de oorsprong van de kosmos. Het betreffen hier pogingen om tot inzicht te komen in de orde van de kosmos en te verdedigen tegen wijsgerig atheïsme. Ten tijde van het (vroeg)christelijke denken, met name in de Middeleeuwen, is atheïsme geen relevante bedreiging en speelt het probleem over het bestaan van God dan ook nauwelijks een rol. Hooguit komt het denken over het bestaan van God voort uit de interactie tussen theologie en filosofie, zoals we zien bij Thomas van Aquino. In de moderne periode maakt de filosofie zich los van de theologie. Denkers als Descartes proberen op rationele gronden het bestaan van God te bewijzen. De laatste periode is die van de kritiek op godsbewijzen en later zelf op religie in het algemeen.[8]

Voorbeelden van godsbewijzen

Er zijn vele pogingen ondernomen om het bestaan van God te bewijzen en daarom moeten we een en ander afbakenen. We maken, in navolging van Kant (1724-1804), een onderscheid tussen drie categorieën van godsbewijzen, namelijk: het ontologische godsbewijs (uit het idee van ‘God’ wordt het bestaan afgeleid), het kosmologische godsbewijs (uit de kosmos wordt het bestaan afgeleid) en het fysico-theologische godsbewijs (vanuit de ordening van de natuur wordt het bestaan afgeleid).[9] Uiteraard zijn veel godsbewijzen omstreden en bestreden, maar hieraan willen we in dit verband geen aandacht besteden. Laten we de verschillende categorieën nader bekijken:

Ontologische godsbewijzen

Ontologie is een filosofische term en staat voor ‘zijnsleer’. Het beschrijft het zijn – de wezenseigenschappen – van de dingen. Ontologische godsbewijzen houden zich bezig met te bewijzen dat het een tegenstrijdigheid is dat God niet bestaat. Uit het ‘zijn’ van het begrip ‘God’ vloeit zijn bestaan als het ware voort.

Hoewel we deze redenering al tegenkomen bij Augustinus (354-430), is het de aartsbisschop Anselmus van Canterbury (1033-1109) die het heeft uitgewerkt in zijn werk Proslogion. Volgens Anselmus is God per definitie het volmaaktste wezen dat voor ons mensen denkbaar is. Daarnaast is het beter om te bestaan dan niet te bestaan, dus iets dat niet bestaat kan nooit volmaakt zijn. Een niet bestaande God is minder volmaakt dan een bestaande God en daarom moet God logischerwijs bestaan. In hetzelfde werk geeft hij nog een tweede ontologisch bewijs. Volgens Anselmus zegt zelfs de dwaas in zijn hart dat er geen God is (Psalm 13 en 51). Deze dwaas heeft blijkbaar een beeld van God als de hoogst denkbare, want hij weet wat de eigenschappen zijn van iets dat hij ontkent. Maar als dit hoogste wezen niet bestaat en slechts kan worden voorgesteld door de dwaas moet er toch nog iets hogers zijn dan het wezen dat hij in gedachten heeft. Het hoogst denkbare dat niet bestaat, is logisch tegenstrijdig. Zo doorredenerend komen we uit bij God.

De filosoof Descartes (1596-1650) komt met een vergelijkbaar bewijs als dat van Anselmus, dat wel bekend staat als het ‘handelsmerkargument’. In zijn Meditaties, ‘Over de eerste filosofie waarin het bestaan van God en het onderscheid tussen menselijke ziel en lichaam wordt bewezen’, doet hij een tweetal pogingen. In zijn eerste godsbewijs stelt Descartes dat de mens in zijn denken – zijn geest – zich een idee kan vormen van de perfecte eigenschappen van God (almachtig, alwetend, enz.). Volgens een filosofisch principe[10] moet iets dat een ander voorwerp veroorzaakt tenminste evenveel van de eigenschappen bezitten als het ontstane voorwerp. Als een vrouw een kind voortbrengt, bezit de vrouw tenminste evenveel menselijke eigenschappen als het voortgebrachte kind. Descartes stelt dat hetzelfde opgaat voor het veroorzaken van ideeën en de inhoud van ideeën. Aangezien de mens onvolmaakt is en dus de volmaakte gedachten over God niet kan voortbrengen moet het een hoger wezen zijn die deze ideeën inbrengt: God zet een stempel op zijn werk.

Kosmologische godsbewijzen

Het kosmologische godsbewijs is gebaseerd op de waarneming van beweging en verandering in de kosmos. Het kosmologisch godbewijs richt zich op het argument van de ‘eerste oorzaak’ en is dus een bewijs van uit de causaliteit. Alles heeft een oorzaak en ten aanzien van die oorzaak kunnen we tot in het oneindige terugredeneren, maar toch moet er eens een begin zijn geweest.

Voor zover bekend is het eerste kosmologische godsbewijs geformuleerd door Aristoteles (384-322). Hoewel ‘De Filosoof’ niet persé wil aantonen dat het een (christelijke) God is die de oorsprong is van het universum is het nuttig het argument hier te behandelen, omdat de christelijke filosofen uit de Middeleeuwen dit bewijs omarmden, zoals verderop zal blijken. Volgens Aristoteles zijn alle dingen onderhavig aan verandering en beweging. Niets kan volgens hem in beweging komen uit zichzelf en moet noodzakelijk een oorzaak hebben. Ook de oorzaak van een beweging moet weer een oorzaak hebben. Deze keten van werkoorzaken (causaliteit) voert terug op de allereerste beweging. Volgens Aristoteles is een god, de ‘Eerste beweger’ of de ‘Onbewogen beweger’ hiervoor verantwoordelijk.

Fysico-theologische godsbewijzen

Dit godsbewijs hangt nauw samen met het kosmologische godsbewijs. Het fysico-theologische godsbewijs is een bewijs vanuit de natuur en verklaart de wonderlijke doelmatigheid en geordendheid in de natuur door het bestaan van God. Het bewijs dat het universum een maker heeft, wordt ook wel het teleologisch godsbewijs genoemd.[11]

William Paley (1743-1805), de aartsbisschop van Carlisle, beschrijft in zijn boek Natural Theology een bekend ontwerpargument. Hij beeldt zich aan het begin van zijn boek een situatie in waar hij tijdens het wandelen zijn voet stoot aan een steen. Als hem zou worden gevraagd hoe die steen daar kwam, kon hij antwoorden dat voor zo ver hij dat wist die steen daar altijd al gelegen had. Maar als hij stelt dat deze steen een horloge zou zijn, gaat zijn redenering niet meer op. Het is onmogelijk dat spontaan de juiste onderdelen op hun plek zijn gevallen en het horloge begon te werken. Een horloge met zo’n ingewikkelde structuur veronderstelt een ontwerper en kan daar niet altijd gelegen hebben. Paley vergelijkt het horloge met de wereld. De wereld lijkt doelmatig te zijn ontworpen en veronderstelt een maker.

Intelligent ontwerp, met als kopstuk W. Dembski (1960-) en in Nederland C. Dekker[12] (1959-), is een recentere (pseudo-)wetenschappelijke theorie die stelt dat het heelal wordt gekenmerkt door een intelligent ontwerp. De aanhangers van Intelligent Design beweren dat bepaalde karakteristieken van het heelal en van organismen het best worden verklaard aan de hand van het werk van een intelligente ontwerper. Allereerst wijst men op de onherleidbare complexiteit van het heelal, die niet kan zijn veroorzaakt door louter evolutie. Daarnaast zit er een intelligent ontwerper achter zaken die zowel complex zijn als specifiek. Een letter uit het alfabet is specifiek maar niet complex, een reeks willekeurige letters niet specifiek maar wel complex en een sonnet van Shakespeare zowel complex als specifiek.

De vijf wegen

Speciale aandacht besteden we aan de vijf godsbewijzen van Thomas van Aquino (1225-1274), die wel bekend staan als ‘de vijf wegen’[13]. Thomas is waarschijnlijk de beroemdste en meest invloedrijke theoloog uit de Middeleeuwen en vooral binnen de katholieke kerk neemt zijn leer nog steeds een belangrijke plaats in. De vijf wegen vinden we terug in zijn grootse werk Summa Theologiae en gaan uit van aspecten van de wereld die naar een schepper verwijzen. Sommige argumenten zijn we al tegengekomen of passen binnen de behandelde categorieën.

De eerste weg gaat over het in beweging zijn van dingen en de veranderlijkheid van dingen. De wereld is geen statische werkelijkheid, maar een dynamische. Volgens Thomas wordt alles wat beweegt door iets anders in beweging gebracht. Tenzij er een oneindig aantal oorzaken is, moet er één oorzaak aan het begin staan. Deze oorzaak is God zelf. Merk op dat dit godsbewijs identiek is aan dat van Aristoteles, maar slechts ‘god’ is vervangen door ‘God’.

De tweede weg lijkt sterk op de eerste weg. Thomas stelt vast dat er oorzaken en gevolgen zijn in de wereld en de gevolgen kunnen worden verklaard uit de invloed van de oorzaken. Alle gevolgen kunnen worden teruggevoerd op God.

De derde weg gaat uit van het bestaan van contingente (niet noodzakelijk bestaande) wezens. Onder andere mensen zijn wezens die niet noodzakelijkerwijs behoeven te bestaan op aarde. God daarentegen is wel een noodzakelijk wezen. Ons bestaan in veroorzaakt door een ander wezen, zoals ook de eerste weg stelt. God is het eerste noodzakelijke wezen.

De vierde weg handelt over het bestaan van menselijke waarden, zoals waarheid, goedheid en voortreffelijkheid. De vraag is waar deze waarden vandaan komen of wat ze veroorzaakt. Volgens Thomas van iets dat zelf waar, goed en voortreffelijk is, namelijk God.

De vijfde en laatste weg is een teleologisch bewijs. De wereld vertoont volgens Thomas duidelijke sporen van intelligente planning. Volgens Thomas streven alle dingen in de werkelijkheid naar een ultieme bedoeling of verwezenlijking. Het hebben van een doel impliceert een geest die dit ten doel stelt. Mensen streven naar verwezenlijking omdat een geest hen dat ten doel stelt. Deze geest is gelijk aan God.

Historische en culturele godsbewijzen

De Vos onderscheidt nog twee categorieën van godsbewijzen, die ik kort wil aanstippen. Het historische godsbewijs is een bewijs uit de overeenstemming van de volken. Het kernidee is dat de mensen ten alle tijde in God of goden hebben geloofd, of dat er in ieder geval bij alle mensen een vorm van godsdienst aanwezig is. Omdat niet alle mensen in hetzelfde opzicht kunnen dwalen, volgt een logische waarheid van godsdienst; dienst aan een god. Dit bewijs is voor het eerst verdedigd door Plato en Cicero (106-143).[14] Een tweede vorm is het godsbewijs uit de cultuur, dat we in feite al bij Thomas van Aquino tegenkwamen. In alle culturen zijn vormen van normen en waarden aanwezig en de gedachte is dan ook dat deze worden afgemeten aan een zekere maatstaf. De ‘algemeengeldigheid’ van normen en de daaruit afgeleide waarden wijst op het bestaan van een hogere maatstaf, namelijk God.[15]

Natuurlijke theologie

Nergens in de Heilige Schrift wordt direct de moeite gedaan om Gods bestaan te bewijzen. Voor de bijbelschrijvers is het een vooronderstelling dat God bestaat. Het boek Genesis begint dan ook met de woorden “beresjit bara elohim” (in het begin schiep God). God heeft niet alleen de mens levensadem ingeblazen, maar hem ook geschapen naar Zijn beeld. “We zijn geschapen naar Gods beeld: Fecisti nos ad Te, we zijn ontworpen om naar U uit te zien, ons naar U te richten”.[16] De mens draagt het ‘imago Dei’, waarvan Psalm 8 spreekt als wordt gesteld dat de mens bijna tot een god is gemaakt en is gekroond met glans en glorie. Maar kunnen wij concluderen uit het feit dat de mens op God lijkt dat er een God is? In de Heilige Schrift wordt wel meerdere malen gewezen op de mogelijk tot het kennen van God uit de natuur. In Psalm 19 lezen we: “De hemel verhaalt van Gods majesteit, het uitspansel roemt het werk van Zijn handen”. De hemel en het uitspansel dragen het stempel van God. Paulus schrijft in Romeinen 1 dat een mens dingen van God kan weten en dat zijn onzichtbare eigenschappen van de schepping in Zijn werken zichtbaar zijn en voor het verstand waarneembaar. De ongelovige kan zich niet verontschuldigen. Paulus behandelt hier in feite zaken die verwant zijn aan de natuurlijke theologie.

Natuurlijke theologie is de religieuze overtuiging, gebaseerd op de scheppingsleer, dat er iets over God gekend kan worden via de bestudering van de natuur. Binnen het christendom worden meestal drie benaderingen van de natuurlijke theologie onderscheiden. Allereerst is er het beroep op het verstand, onder andere verdedigd door Augustinus. Als God binnen zijn schepping is te herkennen, dan in ieder geval binnen de mens als het hoogste geschapene. In het menselijke denkproces zijn dus sporen van God aan te treffen. Anderen, zoals Thomas van Aquino, benadrukken de geordendheid van de werkelijkheid. Het is niet vanzelfsprekend dat de werkelijkheid is geordend en ook nog met het menselijk verstand kan worden waargenomen. Een derde benadering is het beroep op de schoonheid van de natuur. Denkers als Calvijn (1509-1564), Edwards (1703-1758) en Von Balthasar (1905-1988) benadrukken de schoonheid van God is te vinden in de schoonheid van de geschapen werkelijkheid.[17] Vanzelfsprekend verschillen theologen in hun opvatting over in welke mate de natuurlijke kennis iets over God kenbaar maakt, maar dat voert te ver om hier te behandelen.

Kerk en godsbewijs

De vraag naar het bestaan van God is geen grote vraag in de kerkelijke leer. Ook historisch gezien, want pas op het Eerste Vaticaans Concilie in 1870 is hier aandacht aan besteed. Dit is ook niet verwonderlijk omdat het bevestigende antwoord voortvloeit uit het geloofsleven zelf. Met deze kwestie staat of valt in feite het hele christelijke geloofsleven. Er zijn predikanten die daar er anders over denken (zie voetnoot 1), maar het lijkt voor een christen toch een onmogelijkheid Gods Woord serieus te nemen, tot God te bidden en naar Zijn geboden te leven en tegelijkertijd atheïst te zijn[18]. Ik wil nu kort kijken hoe er in twee hoofdstromingen van het christendom, namelijk katholicisme en protestantisme, is gesproken over het godsbewijs.

In de katholieke traditie wordt positief tegen het godsbewijs aangekeken. In de Katechismus van de katholieke kerk, een gezaghebbend boek binnen het katholicisme, is er een hoofdstuk aan gewijd met als titel ‘De toegangswegen tot de kennis van God’[19]. Men spreekt van met elkaar overeenstemmende en overtuigende argumenten die het mogelijk maken te komen tot echte zekerheden: “Geschapen naar Gods beeld en geroepen om God te kennen en lief te hebben, ontdekt de mens die God zoekt, bepaalde ‘wegen’ om tot de kennis van God te komen”. De godsbewijzen hebben twee ‘vertrekpunten’, namelijk de schepping en de mens. Over de schepping wordt gezegd: “Uitgaande van de beweging en de wording van de wereld, de contingentie, de orde en de schoonheid van de wereld kan men God kennen als oorsprong en doel van het heelal”. En over de mens: “Met zijn ontvankelijkheid voor waarheid en schoonheid, zijn gevoel voor het moreel goede, zijn vrijheid en de stem van zijn geweten, zijn verlangen naar het oneindige en naar geluk, stelt de mens de vraag naar het bestaan van God”. Vanuit de katholieke traditie zijn godsbewijzen echter geen bewijzen zoals die in de natuurwetenschappen worden gezocht, maar “bewijzen van het bestaan van God kunnen de mens niettemin voorbereiden op geloof en hem helpen zien dat het geloof niet in strijd is met het menselijk verstand”.

Door de grote verscheidenheid in het protestantisme is het moeilijk een eenduidige visie op het godsbewijs te geven. Eigenlijk wordt er ook amper aandacht besteed aan het godsbewijs in de gezaghebbende geschriften. Wel zien we opmerkingen terug die wijzen op een natuurlijke theologie. De Eerste catechismus van Calvijn[20] begint met de woorden: “Er is niemand te vinden, ook niet ver de beschaafde wereld, of hij heeft enig besef van godsdienst. Daaruit blijkt duidelijk dat we allen geschapen zijn om de majesteit van onze Schepper te kennen”. In de Nederlandse geloofsbelijdenis wordt gesproken over ‘hoe wij God kennen’[21]: “Wij kennen Hem door twee middelen. Ten eerste door de schepping, onderhouding en regering van de hele wereld. Want deze is voor onze ogen als een prachtig boek, waarin alle schepselen, groot en klein, de letters zijn, die ons te aanschouwen geven wat van God niet gezien kan worden (…). Ten tweede maakt hij Zichzelf nog duidelijker volkomener aan ons bekend door Zijn heilig en goddelijk Woord”.

Protestantisme en atheïsme

Interessant in dit verband is dat sommigen beweren dat er koppeling is tussen protestantisme en atheïsme. In die zin, dat de opkomst van het protestantisme ook de opkomst van het atheïsme gestimuleerd heeft. Dit wordt beweerd omdat de Reformatie zich onder meer liet kenmerken door een ontheiliging van de natuur. De wereld was wel door God geschapen, maar kon Gods aanwezigheid niet meer direct overbrengen. De protestantse hervormers stonden kritisch tegenover het ontmoeten van God in allerlei natuurlijke fenomenen en gebeurtenissen. God had ervoor gekozen zich te openbaren via de Bijbel en het gepredikte woord. De opkomst van het protestantisme leidde dus tot een meer afwezige God, die niet direct gekend kan worden, maar alleen via de openbaring. Het verstand werd hiermee belangrijker dan de verbeelding. Sociologen als Weber en Taylor hebben hieruit geconcludeerd dat ‘het protestantisme de weg was waarlangs een samenleving die oorspronkelijk een sterk besef van het heilige bezat, ‘ontheiligd’ of ‘onttoverd’ werd, wat uiteindelijk leidde tot een cultuur die geen besef meer had van Gods aanwezigheid in haar midden’.[22] Misschien zit hier een kern van waarheid in, maar geheel juist lijkt het toch niet in het licht van de vorige alinea.

(On)zin van godsbewijzen

Zoals gezegd is er op vele manieren geprobeerd om de diverse godsbewijzen te ontkrachten. Daar wil ik het niet over hebben en verwijs ik naar de geciteerde literatuur. Aan de andere kant is het interessant te kijken naar wat het nut is van godsbewijzen.[23] Helpt het nu inderdaad om mensen van het bestaan van God te overtuigen? Van theologen is de kritiek veelal dat godsbewijzen weinig effectief blijken te zijn. Ouweneel, de auteur van het Theïstisch Manifest[24], zegt hierover: “[Z]o is mij in de geschiedenis geen ongelovige bekend die tot bekering is gekomen dankzij zulke ‘Godsbewijzen’, die al vanaf Plato de eeuwen door geleverd zijn. Dus wat moeten we ermee?”[25] Sterker nog, de theoloog McGrath stelt dat de pogingen van Descartes om het bestaan van God te bewijzen juist een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan de opkomst van het radicale atheïsme in Frankrijk. De matige bewijskracht bracht menigeen er nog eens toe te overdenken of het bestaan van God wel zo vanzelfsprekend was.[26]

Naast de uitblijvende effectiviteit van godsbewijzen is er een tweede logisch bezwaar, namelijk dat het eindresultaat niet per definitie uitkomt bij de God van het christendom. Vanuit de reformatorische traditie is er vaak sprake geweest van een verzet tegen het godsbewijs. Zoals gezegd doet de Heilige Schrift geen moeite om het bestaan van God te bewijzen. De zekerheid aangaande God is geen puur theoretische zaak, maar ingebed in een vertrouwen met God. Vooral de theoloog Barth (1886 – 1968) heeft deze kritiek uitgewerkt.  De godsbewijzen leveren zijn inziens maximaal ‘een laatste grond ván onze werkelijkheid’ op. Dit geschapene is niet met God te vereenzelvigen. Misschien is de God van de filosofen de God van Israël niet en komt iemand die begint te denken zonder God nooit bij God uit. Daarnaast vraagt Barth zich af of de godsbewijzen geen ‘doorzichtige pedagogie’ is. Is het niet beter om ons direct bezig te houden met het getuigenis aangaande God? De God, die misschien niet eens het eindresultaat is van het godsbewijs.[27]

Anders is het als we het godsbewijs zien als een opstapje, een manier om tot een gesprek te komen of om de aandacht te trekken. McGrath noemt dit aanknopingspunten: “Aanknopingspunten zijn op zichzelf niet in staat om mensen het koninkrijk van God binnen te brengen. Ze zijn daarvoor het beginpunt. Ook zijn ze in zichzelf niet voldoende om mensen tot een echt christelijk geloof te brengen. Ze kunnen wijzen op het bestaan van een creatief en welwillend opperwezen”[28]. Hij stelt verder: “Mensen kunnen door dit soort aanknopingspunten ontvankelijker worden voor theïsme, inclusief het christendom. Maar ze zijn nooit een doel in zichzelf. Het is de taak van de apologeet om aan te tonen dat het christelijke evangelie in overeenstemming is met deze aanknopingspunten”[29].

Belangrijk is het om te beseffen dat, alhoewel godsbewijzen veelal mensen niet tot geloof brengen, ze voor christenen zelf een rationele onderbouwing kunnen zijn om in God te geloven. Veel godsbewijzen hadden ook niet primair de intentie om als bewijs buiten de context van het geloof te functioneren. Het ging dan vooral om na te denken hoe het christelijk verstaan van God het geloof in Gods realiteit versterkt. Anselmus vaardigde zijn godsbewijs bijvoorbeeld niet uit om gelovigen te bekeren, maar streefde ernaar zijn eigen redelijke inzicht in God te verdiepen. Hij schrijft: ‘Ik probeer niet, Heer, in Uw verhevenheid dor te dringen, want ik acht mijn verstaan hiermee geenszins te verlijken. Maar ik verlang ernaar Uw waarheid die mijn hart gelooft en bemint, tot op zekere hoogte in te zien’.[30]

Afsluiting

Persoonlijk vind ik het godsbewijs allereerst een interessant fenomeen. Het is namelijk een terrein waarop filosofie en theologie elkaar raken of misschien zelfs behoren te raken. Het nut van het bewijzen van het bestaan van God is denk ik gering, zeker vandaag de dag. Het filosofische godsbewijs lijkt meer een persoonlijke existentiële poging dan een serieuze invalshoek om atheïsten of agnosten te benaderen. Daarnaast rijzen er vragen of de God van Abraham, Izaäk en Jacob wel dezelfde is als die van de filosofen.[31] Het is de (christelijke) filosoof en wiskundige Pascal die deze vraag al opwierp in een nagelaten fragment: “God van Abraham, God van Izaäk, God van Jacob, niet der filosofen en geleerden”. Pascal doelt hier niet zozeer op een tegenstelling tussen God van de openbaring en de God van de rede, maar op de kloof tussen de geopenbaarde verhalen over God en de onvaste, onzekere en veranderlijke betogen over God.[32] Van Pascal zijn ook de woorden dat het hart zijn redenen heeft die de rede niet kent. Het hart vindt namelijk God in Christus en kan niet alleen leven bij theoretische en wetenschappelijke waarheden. Pascal wijst de rede niet af, maar wijst de rede op haar plaats en haar grenzen.[33]

De vraag is of het sowieso een goede zaak is dat er gezocht wordt naar kennis van God buiten het geloof om, zoals we bij de theoloog Barth zagen. Ik las in dit verband een mooie dichtregel van M. Nijhoff: ‘want ieder blijven Gods woorden vreemd dan die ze van God zelf verneemt’. De Heilige Schrift spreekt enerzijds over de onkenbaarheid van God, zoals in Romeinen 11: “Hoe onuitputtelijk zijn Gods rijkdom, wijsheid en kennis, hoe ondoorgrondelijk zijn oordelen en hoe onbegrijpelijk zijn wegen. Wie kent de gedachten van de Heer, wie was ooit zijn raadsman?”, maar van de andere kant ook van een God die gekend wil worden. Dit dan vooral via Jezus Christus, zoals Johannes 1 stelt: “Niemand heeft ooit God gezien, maar de enige Zoon, die zelf God is, die aan het hart van de Vader rust, heeft hem doen kennen.” (zie ook Hebreeën 1, Johannes 17 en 1 Johannes 5). Toch lijkt het erop dat natuurlijke theologie een bijbels houdbaar concept is en daar zijn meer tekstplaatsen bij aan te dragen. Mogelijk biedt dit nieuwe invalshoeken om het geloof uit te dragen in de huidige tijd.

We hebben in dit artikel gezien dat het godsbewijs vooral pleit tegen een atheïstische levensvisie en zowel filosofisch als theologisch kan zijn. Vervolgens hebben we een enkele categorieën en voorbeelden van godsbewijzen bekeken en in het bijzonder bij Thomas van Aquino stilgestaan. Daarna hebben we gezien dat het godsbewijs een kleine plaats in de Heilige Schrift inneemt en ten hoogste refereert aan een natuurlijke theologie. Binnen het katholicisme en het protestantisme wordt in het algemeen niet veel aandacht geschonken aan het godsbewijs. Als dit wel zo is, dan het katholicisme in het algemeen in een positievere zin dan het protestantisme. Tot slot zagen we dat het godsbewijs vaak weinig nut lijkt te hebben en niet altijd een heldere richting aangeeft, maar desalniettemin een aanknopingspunt kan zijn.

Afsluitend wil ik iedereen die geïnteresseerd is in deze thematiek van harte de aangehaalde boeken van dr. H. de Vos (een systematisch-historische studie over het godsbewijs) en dr. Th. de Boer (het grensgebied van theologie en filosofie) aanraden.
Eindnoten

[1] H. Stoffels, God is een verhaal, IKON / Vrije Universiteit, Amsterdam 2006

[2] Engels: ‘proofs of God’ of ‘proofs of the existence of God’

[3] Th. de Boer, De God van de filosofen en de God van Pascal. Op het grensgebied van filosofie en theologie, Zoetermeer 2005, p. 32

[4] H. de Vos, De bewijzen voor Gods bestaan, Groningen 1971, p. 6

[5][5] Onder andere verdedigd in R. Swinburne, Het bestaan van God, Baarn 1997 en W.J. Ouweneel, De God die is. Theïstisch Manifest, Vaassen 2005

[6] H.J. Heering, Wat heeft de filosofie met God te maken?, Zoetermeer 1998, p. 17-18

[7] Th. de Boer, ibid., p. 14-15

[8] J. Wissink, Thomas van Aquino. De actuele betekenis van zijn theologie, Zoetermeer 1998, p. 49-51

[9] J. Wissink, ibid., p. 50-51

[10] ‘Causal Adequacy Principle’: This principle implies that if there is some item X having the property F, then the cause which produced X, whatever it may be, must possess at least as much F-ness as is to be found in X itself.

[11] ‘Teleologie’ is afgeleid van ‘telos’ en ‘logos’, ‘doel(eind)’ en ‘rede’ of ‘leer’. Het is een filosofische term voor doel-betrokkenheid die we in de natuur tegenkomen.

[12] C. Dekker, R. Meester, R. van Woudenberg, Schitterend ongeluk of sporen van ontwerp, Kampen 2005

[13] J. Wissink, ibid., p. 54 – 76 en A. McGrath, Geloof en Natuurwetenschap, Kampen 2001, p. 104-106

[14] H. de Vos, ibid., p. 31

[15] H. de Vos, ibid., p. 57-58

[16] A. Houtepen, Uit aarde, naar Gods beeld. Theologische antropologie, Zoetermeer 2006, p. 144

[17] A. McGrath, ibid., 2001, p. 147-158

[18] J. Wissink, ibid., p.49

[19] Katechismus van de katholieke kerk, I-1-II, Kampen 1995

[20] J. Calvijn, Het geloof dat wij belijden, Houten 2003, art. I

[21] Nederlandse geloofsbelijdenis, artikel 2

[22] A. McGrath, De ondergang van het atheïsme, Kampen 2006

[23] Zie voor een uitgebreid overzicht van ‘De lotgevallen van de bewijzen’: H. de Vos, ibid., h. 1.1

[24] W.J. Ouweneel, De God die is, Theïstisch Manifest, Vaassen 2005

[25] W.J. Ouweneel, ibid., p. 11

[26] A. McGrath, ibid., 2006, p. 42-43

[27] J. Wissink, ibid., p. 52-53

[28] A. McGrath, Bruggen bouwen, Kampen 1995, p. 20

[29] A. McGrath, ibid., 1995, p. 21

[30] A. Gottlieb, De droom der rede. Een geschiedenis van de filosofie van de Grieken tot de Renaissance, Amsterdam 2004, p. 393

[31] Zie voor een vergelijking tussen beide ‘goden’: G. van de Brink, Oriëntatie in de filosofie,  Zoetermeer 2002, p. 81-83

[32] Th. de Boer, ibid., p. 12-14

[33] H.J. Heering, ibid.,  p. 123-124

2 thoughts on “Over het bestaan van God

  1. -Nieuw ontologisch bewijs voor het absolute ‘zijn’ : ( wat men ook soms ‘god’ noemt ) …
    , en een enig ‘godsbewijs’ of liever bewijs voor het bestaan van het absolute-transcendente ‘zijn’ . .
    -Het enig absolute ‘zijn’ is de eeuwige wetmatigheid van de logica, de wiskunde en andere natuurwetten .
    -Al het overige, dat bestaat, moet bijgevolg contingent zijn aan dit absolute zijn’ en is aldus niet noodzakelijk ;… moet niet bestaan .
    -Dus ‘god’ kan niets anders of meer zijn dan die absolute logica zelf, daar ook ‘hij’ die logica dient te volgen .
    -Een nieuwe ‘Logos’ als enige absolute idee, die zich evolutioneel-logisch ontwikkelt in en tot onze realiteit .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s