Voor de Grieken een dwaasheid

Dit artikel verkent het gebied van de dwaasheid van het christelijk geloof. Aan de hand van een bloemlezing uit de brede christelijke traditie van theologie en filosofie de eeuwen door wordt ook deze denkrichting aannemelijk gemaakt. Het gaat hierbij om auteurs die het christelijk geloof hebben willen verdedigen niet ondanks, maar omwille haar dwaasheid.[1] Na de Heilige Schrift zelf vangen we aan met Tertullianus en eindigen met W.J. Otten.

De Heilige Schrift

In de Bijbel zien we een op het eerste gezicht moeilijk te rijmen onderscheid tussen wijsheid van de heiligen en wijsheid van de wijzen. In het Oude Testament worden wijsheid en verstand vrijwel zonder uitzondering gekoppeld aan het vrezen van God. Het boek Spreuken vangt aan met de woorden: “Het begin van alle kennis is ontzag voor de Heer; een dwaas veracht de wijsheid en weigert elk onderricht.” (Spr. 1:7) Verderop roept Wijsheid het als een soort dolle mens van Nietzsche uit op de straat: “Onnozele mensen, wordt toch eens verstandig, dwazen, denk eens na!” (Spr. 8:5) In een soort cirkelredenering wordt de mens opgeroepen kennis te vermeerderen en wijsheid te zoeken, die geschonken wordt door God en tegelijkertijd verwijst naar diezelfde God. We kunnen dit aanduiden met ‘de wijsheid van heiligen’: “de wetenschap der heiligen is verstand.” (Spr. 9:10, SV) Het Nieuwe Testament lijkt een andere weg in te slaan. Jezus Christus plaatst eenvoud boven wijsheid en verstand in Zijn woorden: “Ik loof u, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat u deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt gehouden, maar ze aan eenvoudige mensen hebt onthuld. Ja, Vader, zo hebt u het gewild.” (Mat. 11:25-26)

Een andere bekende passage in dit verband is de volgende, die we om de kernachtige inhoud geheel aanhalen: “De boodschap over het kruis is dwaasheid voor wie verloren gaan, maar voor ons die worden gered is het de kracht van God. Er staat namelijk geschreven: ‘Ik zal de wijsheid van de wijzen vernietigen, het verstand van de verstandigen zal ik tenietdoen.’ [Jes. 29:14, JH] Waar is de wijze, waar de schriftgeleerde, waar de redenaar van deze wereld? Heeft God de wijsheid van de wereld niet in dwaasheid veranderd? Want zoals God in zijn wijsheid bepaalde, heeft de wereld hem niet door haar wijsheid gekend, en hij heeft besloten hen die geloven te redden door de dwaasheid van onze verkondiging. De Joden vragen om wonderen en de Grieken zoeken wijsheid, maar wij verkondigen een gekruisigde Christus, voor Joden aanstootgevend en voor heidenen dwaas. Maar voor wie geroepen zijn, zowel Joden als Grieken, is Christus Gods kracht en wijsheid, want het dwaze van God is wijzer dan mensen, en het zwakke van God is sterker dan mensen. (…) wat in de ogen van de wereld dwaas is, heeft God uitgekozen om de wijzen te beschamen; wat in de ogen van de wereld zwak is, heeft God uitgekozen om de sterken te beschamen; wat in de ogen van de wereld onbeduidend is en wordt veracht, wat niets is, heeft God uitgekozen om wat wél iets is teniet te doen.” (1 Kor. 1:18-28)

Gods wijsheid is hier van een andere orde dan de menselijke, die we kunnen aanduiden met ‘de wijsheid van wijzen’ of ‘de wijsheid van de Grieken’. Gods wijsheid is nu niet meer het object van hen die wijsheid zoeken, maar “het mysterie dat in alle eeuwen en voor alle generaties verborgen is geweest, maar nu aan zijn heiligen onthuld.” (Kol. 1:26)

Tertullianus (160-230)

Eén van de eerste theologen die breekt met het geflirt tussen de theologie en filosofie was Tertullianus. De in Carthago geboren kerkvader staat bekend om zijn uitspraak dat Athene en Jeruzalem niets met elkaar te maken hebben, of wel dat de plaats van de rede en de plaats van de openbaring elkaar niet verdragen. In zekere zin is hij de tegenhanger van Justinus, die juist voor de theologie aansluiting bij de filosofie zocht. Tertullianus staat sterk antithetisch tegenover de cultuur en de filosofie. Hij wil daarom ook niets weten van een christendom dat als wijsgerige theorie wordt gepropageerd. De onverzadigbare nieuwsgierigheid van de Atheense filosofen heeft niets gemeen met Christus’ leerstellingen, want na Hem is er geen noodzaak meer tot vragen stellen. Christus is de ware ‘Wijsgeer’ en de geschriften van filosofen zijn een bron van dwalingen.

Tertullianus schrijft: “Welke overeenkomst is er tussen de academie en de kerk, de ketters en de christenen? Ons onderricht komt uit de zuilengang van Salomo, die ons geleerd heeft de Here te zoeken in eenvoud van hart. Dat ze daar eens op letten, zij die een stoïsch, een platoons, een aristotelisch christendom voorstaan! Wij hebben geen weetgierigheid meer nodig na Jezus Christus, en we behoeven geen onderzoek meer buiten het evangelie. Wanneer we geloven, verlangen we niets daarbuiten!”[3] Een andere uitspraak die aan hem wordt toegeschreven, is ‘Credo quia absurdum’, ik geloof het, omdat het absurd is. Het geloof is niet gebaseerd op redelijk inzicht, want als dat wel zo was, zou dat alleen maar tegen de betrouwbaarheid ervan pleiten.[4]

Chrysostomus (345-407)

Johannes Chrysostomus (‘Guldemond’), kerkvader en aartsbisschop van Constantinopel, heeft een magistrale preek gehouden over de thematiek van de dwaasheid van het kruis. Hij bespreekt daarin de passage uit 1 Korintiërs 1.

Chrysostomus stelt dat gewoonlijk bij mensen bij wie de ziel stervende is zaken die tot hun redding dienen als belastend worden ervaren. Het is niet vreemd dat mensen die hun verstand verloren hebben het kruis bespotten. Het is bovendien niet mogelijk om hen met menselijke wijsheid te overtuigen. Hij schrijft: “Want voor de dingen die het verstand te boven gaan, zijn we alleen op het geloof aangewezen. Als we namelijk door middel van redeneringen overtuigend willen aantonen hoe God mens werd en hoe hij in de moederschoot van de maagd kwam, zonder ons daarbij tot het geloof te wenden, dan zullen zij ons nog harder uitlachen. Dus wie redeneren, gaan verloren.”[5] Hij vergelijkt de onberedeneerbaarheid van het christelijk geloof met het verschijnsel ‘licht zien’. We kunnen ons best doen om iemand die het fenomeen ‘licht zien’ niet kent te overtuigen, maar ons betoog zal geen resultaat hebben. Pas in het daadwerkelijke zien van het licht met de ogen komt de waarheid openbaar. Een blinde die weer ziende wordt, doorgrondt pas echt wat ‘licht zien’ is.

God wilde dat wij Hem zouden leren kennen door iets wat dwaasheid lijkt te zijn. Dit is het evangelie dat probeert te overtuigen en dit niet door middel van redeneringen, maar door de oproep tot geloof. Iets wonderlijks – in zijn eigen ogen – is het feit dat domheid mogelijk geschikter en gemakkelijker is voor het ontvangen van de evangelieboodschap; de herder en de boer zullen het evangelie sneller ontvangen. Anderzijds is het evangelie feitelijk wijsheid. Christus is slaaf geworden en heeft omwille van ons de gestalte van een dienstknecht aangenomen. Daarom is het ‘passend’ dat de Opgestane bewonderd wordt. Daarom is de ‘dwaasheid van het kruis’ een misleidende uitdrukking: “Niet dat het evangelie werkelijk dwaas is: het wekt de indruk dwaas te zijn. Want dit is zo bijzonder: hij bracht niet een andere wijsheid die op de eerste leek en groter was dan zij, maar een wijsheid die de indruk wekte dwaasheid te zijn. Zo heeft hij overwonnen. Hij heeft Plato niet verdreven door een andere, wijzere filosoof, maar een ongeschoolde visser.”[6]

Chrysostomus preekt een wijsheid van een andere orde: “Want het verkrijgen van godskennis door geloof gaat het menselijk verstand te boven.”[7] Ten diepste is de aardse wijsheid helemaal geen wijsheid. Waarom eigenlijk niet? Welnu, omdat zij niet in staat is om de kern van het goede op het spoor te komen en daar draait wijsheid om. Er is voor de aardse wijsheid helemaal geen reden om trots te zijn, want God heeft haar tot dwaasheid gemaakt. Immers, wie hebben er redding gebracht en de waarheid bekend gemaakt? Niet de filosoof, logicus of geleerde, maar het is tot stand gebracht door vissers.

Augustinus (354-430)

De Afrikaanse bisschop Augustinus van Hippo beschrijft in zijn Belijdenissen zijn geleidelijke bekering tot de God van de Heilige Schrift. Hij schetst daarbij de noodzaak te worden ingeleid in de logica en waarheid van God. Dat voor Augustinus het verstand niet alleen een oord is waar God gevonden kan worden, maar ook een barrière is, beschrijft W.J. Otten met een voor hem karakteristieke dramatiek: “Eindelijk sloeg er iets naar binnen. Van buiten zijn malende, altijd maar concluderende breinplanetarium drong een meteoriet binnen, dwars door de verbrandende dampkring van zijn rationaliseringen.”[8]

Aanvankelijk gaat het Augustinus om de dagelijkse praktijk: “Wat baatte mij dus toen mijn verstand dat in die wetenschappen gemakkelijk zijn weg vond, en wat baatte het mij, dat ik zoveel ingewikkelde boeken zonder enige steun van menselijke leermeesters wist te ontwarren, wanneer ik in de leer aangaande de godsdienst zo afschuwelijk en zo godslasterlijk dwaalde?”[9] Later ziet hij in dat het er op aankomt de nederigheid van hart van Christus te leren, iets dat in de wijze boeken niet geschreven staat. “Zij achten het beneden zich van Hem te leren dat Hij zachtmoedig is en nederig van hart. Dat zijn namelijk de dingen die gij voor de wijzen en verstandigen hebt verborgen en aan de kleinen hebt geopenbaard.”[10] De gedachte moet verre zijn dat er bij God een voorkeur zou gelden voor aanzienlijken boven onaanzienlijke of wijzen boven niet-wijzen; God heeft immers het zwakke, onaanzienlijke en verachtelijke van de wereld uitverkoren.

In De stad van God haalt Augustinus de hierboven behandelde schriftpassages aan als hij schrijft tegen een aantal dwalingen: “Dat dit Christus is, gelooft gij echter niet, omdat gij Hem minacht vanwege het lichaam dat Hij uit de vrouw heeft aangenomen en vanwege de schande van het kruis; kennelijk zijt gij in staat om uit hoger oorden een verheven wijsheid te halen en al dat lage te verachten en te verwerpen … Christus daarentegen doet in vervulling gaan wat door de heilige profeten naar waarheid over Hem voorspeld is: ‘Ik zal de wijsheid der wijzen teniet doen en de verstandigheid der verstandigen verwerpen.’” en na de passage over de dwaasheid van het kruis: “Dit wordt als dwaas en zwak geminacht door hen die uit eigen kracht wijs en sterk menen te zijn. Het is echter de genade, die de zwakken heelt, als zij zich niet hoogmoedig beroemen op hun eigen onreële geluk, maar liever nederig hun reële ellende erkennen.”[11]

Nederigheid is al met al een kernwoord bij Augustinus. Prachtig komt dit tot uitdrukking in een preek over Mattheus 11: “Je kunt je hier op aarde niet voor de ogen van God verbergen. Kijk maar wat hij in de psalm zegt: ‘De Heer is verheven.’ Jazeker, verheven. Ben je soms op zoek naar een ladder om bij hem te kunnen komen? Zoek dan liever naar het hout van de nederigheid, dan ben je al bij hem. De Heer ziet de nederige, hoe verheven hij ook is. Maar de verhevene doorgrondt hij van verre. De zondaars staan mijlenver van zijn heil. En de nederige dan? Die staat er vlak bij. Wat heeft de almachtige dat wonderbaarlijk slim bedacht!”[12]

Erasmus (1469-1536)

Ook de in Rotterdam geboren humanist Erasmus heeft geschreven over de christelijke dwaasheid, het zij bij monde van Zotheid. Hij vat samen: “om kort te gaan: kennelijk heeft de christelijke godsdienst in haar totaliteit een bepaalde verwantschap met een soort dwaasheid en heeft zij niets te maken met de wijsheid.”[13] Hij komt op deze stelling door het volgende.

Volgens Erasmus zijn alle stervelingen ‘in de greep van de dwaasheid’. Hij baseert dit op vele schriftpassages, waaronder: Prediker zegt dat het aantal der dwazen oneindig is en dat alles ijdelheid is – en het leven dus ‘een spel der dwaasheid’ is -, Jeremia stelt dat elk mens dwaas is geworden door zijn eigen wijsheid en Salomo wijst er in de Spreuken op dat ‘dwaasheid vreugde is voor de dwaas’, ‘wie kennis vermeerdert, smart vermeerdert’ en ‘in veel wijsheid veel verdriet ligt’. Bovendien schrijft de Heilige Schrift openhartigheid toe aan de dwaasheid, want zowel Prediker als Paulus, ‘de grote apostel der heidenen’, zeggen zelf dwaas te zijn. Paulus roept zelfs de vermeende wijzen op om dwaas te worden en daarmee echt wijs te worden.

Erasmus denkt dat God – net als andere machtige vorsten uit de geschiedenis – innig van dwazen houdt. Hij houdt niet van ‘dat soort filosofen en mensen die zich beroemen op hun inzicht’. Paulus bewijst dat zijns inziens met de woorden: “Wat voor de wereld dwaas is, heeft God uitverkoren” en “Dat het God behaagd heeft de wereld door de dwaasheid te redden”. Christus had een afkeer van Farizeeën, schriftgeleerden en rabbi’s, want wat zijn zij anders dan wijzen? Christus had juist de ‘kinderkens’ en ‘onnozelen’ lief. Hij was gesteld op kinderen, vrouwen, vissers en – in plaats van op een leeuw – rijden op een ezel. Bovendien worden de uitverkorenen vergeleken met de (zwakke) schapen, noemt Christus zich de schaapherder en is hij zelf het Lam van God.

In het bijzonder in de evangelieboodschap komt de dwaasheid tot uiting. Om dit duidelijk te maken een lang citaat: “Dat ook Christus zelf, die de wijsheid van de Vader is, toch om de dwaasheid van de mens bij te staan in zekere zin dwaas is geworden toen hij de menselijke natuur had aangenomen en ook uiterlijk als een mens bevonden is? Zoals hij ook zonde geworden is om onze zonden te genezen. Slechts op één manier wilde hij die genezen, door de dwaasheid van het kruis, door zijn ongeschoolde simpele apostelen, die hij van de wijsheid afhoudt door ze kinderen, leliën, mosterdzaad en de vogelen des hemels ten voorbeeld te stellen, wezens zonder verstand en bewustzijn.”[14]

Ook in de hemel is er ruimte voor dwazen. Voor de wijze is er geen genade, maar slechts de dwaasheid ontvangt vergeving voor haar dwalingen. Vandaar ook dat bijbelfiguren als Aäron en David zich bij hun smeken om vergeving verschuilen achter hun dwaasheid: “Ik smeek u, Heer, doe toch de ongerechtigheid van uw knecht weg, want ik heb dwaas gehandeld”. Het ultieme voorbeeld hiervan zijn de woorden van de stervende Christus, die God zijn vijanden om vergeving vraagt en maar om één reden: ‘want zij weten niet wat zij doen’, ofwel omdat ze dwaas zijn.

Voor de bovengenoemde ‘verwantschap met een soort dwaasheid’ van het christelijk geloof draagt Erasmus drie bewijzen aan[15]. Ten eerste is het goed te bedenken dat kinderen, bejaarden, vrouwen[16] en gekken meer van godsdienst en heiligheid houden dan andere mensen en puur door instinct ‘naar het altaar worden gedreven’. Ten tweede omdat de eerste religieuzen onnozelheid buitengewoon hoog aansloegen en vijanden van de geleerdheid waren. Ten slotte zijn er geen grotere dwazen dan zij die, gegrepen door het vuur van het geloof, hun geld weggeven, geen kwaad vergelden, zich laten bedriegen, het leven verachten, naar de dood verlangen, enzovoorts.

Pascal (1623-1662)

De Fransman Pascal was naast theoloog en filosoof ook wis- en natuurkundige en staat bekend om zijn waarschijnlijkheidsberekening, de Pascaline en de Wet van Pascal. Naar aanleiding van een godservaring schreef hij op een perkament wat losse zinnen, waaronder de woorden “God van Abraham, God van Isaäk, God van Jacob, niet van de filosofen en de geleerden”[17]. Gedurende de jaren in een jansenistenklooster werkte hij aan een onvoltooide apologie van het christelijk geloof, postuum uitgegeven als de Pensées in de vorm van ongeveer 1000 gedachten. Voorop bij Pascal staat een gelijk opgaan van het verstand en het geloof, maar hij blijft oog hebben voor het mysterie: “De laatste stap van het verstandelijke denken is de erkenning dat er oneindig veel dingen zijn die het te boven gaan. Als het aan dat inzicht niet toekomt is het maar zwak. En als de natuurlijke dingen het al te boven gaan, wat moeten we dan niet zeggen van het bovennatuurlijke?”[18]

Pascal stelt nadrukkelijk dat het christelijk geloof zowel dwaas als wijs is: “Onze godsdienst is wijs en dwaas. Wijs, omdat hij de meeste kennis bezit en het beste gefundeerd is op wonderen, profetieën, etc. en dwaas omdat dat alles geenszins een reden is waarom je er toe behoort. Het is wel een reden om degenen die er niet toe behoren te veroordelen, maar het leidt er niet toe dat degenen die er toe behoren inderdaad geloven. Wat hen doet geloven is het kruis.”[19] Tegelijkertijd stelt hij dat een aantal leerstukken weliswaar onredelijk zijn, maar van goddelijke wijsheid zijn: “De erfzonde is voor de mensen iets krankzinnigs, maar zo stelt men haar ook voor. U hoeft mij niet voor de voeten te werpen hoezeer het deze leer aan redelijkheid ontbreekt, want in definieer haar als onredelijk. Maar dit krankzinnige heeft meer wijsheid dan alle wijsheid van de mensen, sapientius est hominibus (wijzer dan de mensen, JH).”[20]

In een wat langer citaat wordt opnieuw duidelijk dat het christelijk geloof beide wijs en dwaas is, maar dat de dwaasheid de enige manier is om ons te veranderen: “Deze godsdienst, die zo rijk is aan wonderen, aan heiligen, aan beginselvaste lieden, aan lieden zonder enig feilen, aan geleerden, aan grote getuigen en martelaren, aan regerende koningen en aan wetenschap, pleegt na al zijn wonderen en wijsheid ten toon te hebben gespreid dit alles te verwerpen en te zeggen dat hij geen wijsheid en tekenen kent maar het kruis en de dwaasheid. Want zij die door deze tekenen en wijsheid zich waardig betoond hebben door u geloofd te worden en bewezen hebben hoe hun karakter is, delen u mee dat niets van dat alles ons kan veranderen en in staat stellen God te kennen en lief te hebben, niets behalve de kracht van de dwaasheid des kruizes, zonder wijsheid of tekenen, zeker geen tekenen die deze kracht missen. Daarom is onze godsdienst dwaas als we naar de feitelijke oorzaak kijken, en wijs als we kijken naar de wijsheid die er op voorbereidt.”[21]

Kierkegaard (1813-1855)

In de visie van Kierkegaard, een theoloog en filosoof uit Kopenhagen, is het geloof niet redelijk, maar paradoxaal. Het gelovige leven vloekt met de rede en is niets anders dan een tegenstrijdige sprong. Hij verwoordt dit onder andere bij monde van Johannes de silentio in zijn Vrees en beven, waarin hij aan de hand van de zijn zoon offerende Abraham het ware geloof duidt. Hoe is het mogelijk dat Abraham onverschrikt op weg gaat om zijn eigen zoon te offeren en hoe kan God zoiets absurds eisen? Abraham is zijn inziens ‘groot door de wijsheid waarvan het geheim dwaasheid is’ en ‘groot door de hoop waarvan de vorm waanzin is’. Abraham geloofde krachtens het absurde, want alle menselijke berekening had afgedaan. Hij was het die geloofde in het ongerijmde van Gods bevel.[22] Hij schrijft: “In de held denk ik mij in, in Abraham kan ik mij niet indenken. Als ik die hoogte nader stort ik neer, want dat wat mij geboden wordt is een paradox.”[23]

Kierkegaard vraagt zich af wat het behelst om deze beweging van het geloof te maken. Het geloof is niet iets grof of plomps, maar bezit de merkwaardigste en fijnzinnigste dialectiek (via tegenstellingen naar de waarheid) van allen. Het is niet de bedoeling voorbij het geloof te willen of het achter zich te laten, maar om er bij te blijven staan. De weg naar het geloof gaat via een tweetal stadia, waarvan de oneindige resignatie (overgave) de eerste is. Het is een denkbeweging waarin men beseft alles te moeten opgeven en zich overgeeft aan de onmogelijkheid van het bestaan. “[P]as in de oneindige resignatie krijg ik een helder zicht op mijzelf in mijn eeuwige geldigheid, en pas dan kan er sprake van zijn krachtens het geloof het bestaan te begrijpen.”[24] Deze tweede stap van het geloof verliest niet alles, maar verwerft juist alles, het kan bergen verzetten. Volgens Kierkegaard kan iedere mens verstandelijk de stap van de oneindige resignatie maken, maar is het geloof niet aan te praten.

Vervolgens problematiseert Kierkegaard het geloof om te ontdekken ‘wat een ontstellende paradox het geloof is’: “Een paradox die in staat is om een moord tot een heilige en God welgevallige handeling te maken. Een paradox die Isaak aan Abraham teruggeeft. Een paradox waarvan geen denker zich meester kan maken, omdat het geloof nu juist daar begint waar het denken ophoudt.”[25] Hij komt hierbij tot de stellingen dat de enkeling hoger is dan het algemene – dat de geïsoleerde enkeling belangrijker is dan dat wat voor iedereen geldt – en de innerlijkheid hoger is dan de uiterlijkheid – dat er een absolute plicht tegenover God bestaat. Vrees en beven is hiermee een pleidooi voor een absolute verhouding van de enkeling tot God. Hier moet niet aan voorbij worden gegaan, want het geloof is de hoogste hartstocht van de mens.

In Kierkegaards dagboeken klinkt een zelfde geluid: “Geloof is in het Nieuwe Testament geen bepaling, die ligt in de sfeer van het intellectuele, maar is ethische bepaling, het betekent de persoonlijke verhouding tussen God en de mens. Er wordt daarom van het geloof gevraagd om te geloven tegen het verstand in, om te geloven ofschoon men niet kan zien.”[26] Hij definieert geloof als volgt: “Wat is geloven? Dat is: zich godvruchtig en onvoorwaardelijk onderworpen willen verweren tegen de ijdele gedachte van te willen begrijpen en tegen de ijdele inbeelding van te kunnen begrijpen.”[27]. Kennis is in geloof vaak de remmende factor: “Om aan het uitvoeren van Gods wil te ontsnappen hebben wij de geleerdheid uitgevonden.”[28]

Chesterton (1874-1936)

Kierkegaards paradox brengt ons bij Chesterton, die wel de ‘prins van de paradox’ wordt genoemd, wellicht om de frequentie waarmee dat woord in zijn werk voorkomt. Hij is minder bekend op de C.S.F.R., maar als grote inspirator van C.S. Lewis – die het christendom leerde waarderen via zijn The Everlasting Man – zeker lezenswaardig! Over het christendom zegt Chesterton: “Zijn grondplan past bij de verborgen onregelmatigheden, en verwacht het onverwachte. Het is simpel over simpele waarheden; maar het is hardnekkig tegenover de subtiele waarheid.”[29] Wat bedoelt hij hier precies mee? Juist de complexiteit van onze wereld bewijst de waarheid van het geloof. Wanneer men in het credo gelooft, is men trots op de complexiteit ervan, want het toont aan hoe rijk haar ontdekkingen zijn: de sleutel en het slot zijn beide complex en wanneer de sleutel past is het een passende.

In het hoofdstuk ‘Paradoxen van het christendom’ merkt hij op dat in de aanvallen op het christelijk geloof altijd tegengestelden te horen zijn – het is te pessimistisch en te optimistisch, het predikt vrede en is tevens vader van alle oorlogen, enzovoorts – en het daarom blijkbaar onverenigbare deugden in zich herbergt. Misschien wijst dit erop dat het christendom juist de waarheid is, net zoals de persoon met het juiste figuur door vrijwel iedereen ervan beschuldigd wordt te dun, te dik, te lang, te kort, enzovoort te zijn: “Misschien is het christendom uiteindelijk juist gezond en zijn al z’n critici gek – op verschillende manieren.”[30] Chesterton gaat hier later op door te stellen dat de taal van Christus reusachtig en mysterieus is geweest, ‘vol kamelen die door naalden kropen en bergen die in de zee verplaatst werden’. Hij noemde zichzelf een zwaard der slachting, riep op tot het kopen van zwaarden, maar predikte tegelijkertijd de geweldloosheid. “We kunnen dit niet verklaren door het simpelweg dwaas te noemen; want dwaasheid geschiedt vaak langs één eenduidig spoor. De maniak is vaak monomaan. In dit geval moeten we bedenken dat de moeilijkste definitie van het christendom al gegeven is; christendom is een bovenmenselijke paradox waarbij twee tegengestelde drijfveren naast elkaar mensen kunnen aansporen.”[31]

Net als Pascal snijdt ook hij erfzonde aan: “het christendom predikt een overduidelijk onaantrekkelijk idee, zoals de erfzonde, maar wanneer we naar de resultaten kijken, zijn dat pathos en broederschap, donderend gelach en medelijden; want alleen met de erfzonde kunnen we tegelijkertijd medelijden hebben met de bedelaar en wantrouwend kijken naar de koning.”[32] Dit is een belangrijk punt van Chesterton; als we alleen het christendom aanschouwen aan de oppervlakte is zij onaantrekkelijk, maar in de kern schuilt een grote rijkdom. Opmerkelijk genoeg is dan soms zaak haar van een onbevooroordeelde afstand te bezien, zoals hij in The Everlasting Man verwoordt : “The point of this book, in other words, is that the next best thing to being really inside Christendom is to be really outside it.”[33]

Chesterton sluit zijn Orthodoxie af met de wonderbaarlijke conclusie van het hele christendom. Het is de paradox dat de eigenlijke toestand van de mens geen gezonde is en het gewone leven abnormaal is, maar het christendom uiteindelijk pure vreugde is. “Vreugde, de geringe reclameboodschap van het heidendom, is het overweldigende geheim van de christen.”[34] De moderne mens is ondersteboven geboren, staat op zijn kop, trappelt in de lucht en is met zijn hoofd in de hemel die feitelijk de aarde is. De christen volgt het oeroude menselijke instinct om rechtop te staan vanwege het feit dat door zijn geloofsovertuiging de vreugde iets gigantisch wordt.

W.J. Otten (1951)

Dit brengt me nog bij Willem Jan Otten, bekend van zijn roman Specht en zoon. Hij duidt als late bekeerling de mentale beweging van het geloof aan als “de moeilijk te grijpen eisprong van het bewustzijn”[35] of “een kwestie, zijnde het raadselachtige, onbedwingbare, onlogische en bindende tegending dat zijn plaats naast weten, vergewissen en beseffen heeft heroverd.”[36] Hoewel Otten schrijft voor de ‘ontwikkelden onder de verachters van de christelijke religie’ heeft hij niet meer te bieden dan een sterfelijke, godverlaten God. De hele lijdensweg van Christus van Gethsemane tot de graflegging is één grote operatie om je het geloof onmogelijk te maken. Tegelijkertijd houdt Pasen je in de houdgreep. Het gaat er om te geloven dat het in feite om iets niet begrijpen gaat. Instemmend haalt hij C.S. Lewis aan die schrijft: “Dit is één van de redenen waarom ik het christelijk geloof aanhang, het is een godsdienst die je niet had kunnen raden.”[37]

In de lezing ‘De onwaarschijnlijke Christus’[38] werkt Otten deze gedachten nader uit. Er werd hem nooit gevraagd in iets te geloven dat onwaarschijnlijker is dan Christus. Opnieuw wordt Lewis aangehaald, die in Verrast door vreugde stelt dat er niets aan het evangelie is dat hij zelf bedacht zou kunnen hebben. Otten schrijft: “Welbeschouwd is er niets aan Jezus, zoals we Hem uit de evangeliën kennen, geloofwaardig – Hij is werkelijk de laatste waar je aan zou kunnen denken als je een halfgod nodig had om een nieuwe wereldorde mee te stichten.” De menswording van Christus is niet overtuigend in de gebruikelijke zin, het is iets waar je hele bewustzijn, verstand en intellect tegen in opstand komen. Juist daarom is het een onzinnige gedachte dat de christelijke religie een vorm van wensprojectie zou zijn, want waarom beelden we ons dan een man in als Jezus en niet iemand die “veel aanzienlijker, talentvoller, zeg: keizer Marcus-Aurelius-achtiger” was?

Juist deze gedachte laat je beseffen dat Jezus geen fictie is: “Je kunt je paf projecteren – maar zo’n onwaarschijnlijke en makkelijk te ridiculiseren verhaal zuig je niet uit je duim.” Dit doet duizenden bewijzen dat Jezus niet heeft bestaan teniet en tegelijkertijd ontkracht het de bewijsgronden dat Hij wel heeft bestaan. Het ongelofelijke is niet te bewijzen en theologische arrogantie; Christus is niet zozeer een opvatting of een leerstuk, maar om te beginnen een ontroering. Otten gelooft omdat Jezus het ongelooflijke, bovenmenselijke heeft gedaan.

Slot

We hebben dus enkele van mijn helden aan het woord gehoord en ik heb ze vooral zelf laten spreken. Het is geen koekoek eenzang, maar met dezelfde grondtonen. De vraag is echter welke logica er schuilt in grote denkers die zich conformeren aan de dwaasheid van het kruis; wat hebben denken en dwaasheid gemeen? Het punt is dat we redelijkheid en rationaliteit weer moeten ontkoppelen zoals vanouds.[40] Het is redelijk te veronderstellen dat ik een kind van mijn vader ben op grond van bijvoorbeeld onbewezen tegendeel, gelijkenis en fotoalbums. Maar op zuiver rationele gronden ben ik er niet zeker van dat het geen ander was die mij verwekte. Mijns inziens predikt de Heilige Schrift geen rationeel sluitende theorie, maar wel redelijkheid. In die zin kan het redelijk gegrond zijn te geloven in een God die zijn zoon weefde in de schoot van een mens teneinde deze als misdadiger te laten hangen aan het hout en deze wederom uit de dood en het leven terug naar het huis met de vele woningen haalde. Rationeel is anders, want in het abstracte wereldbeeld bestaat er geen God en al zou er één bestaan dan zou deze zich niet verroeren om bij een vrouw een kind te verwekken.

Dus: het rationele denken, dat wel met Grieks denken wordt geassocieerd, spreekt niet altijd de taal van God. Anders gezegd worden ogenschijnlijke dwaasheden de zuiverste rationaliteit in het licht van de goddelijke logica. De dwaasheid van het kruis is dwaasheid in de ogen van de mens, met de menselijke logica. De Schrift – en met name de Nieuwtestamentische brieven – spoort wel aan om in alle redelijkheid de gekruisigde Christus te volgen. Het feit dat er wordt opgeroepen tot geloof wil naar mijn mening dus niet zeggen dat het een blinde roekeloze daad zou zijn. Met Kierkegaard zou ik het geloof willen typeren als een sprong, maar wel met een voorzegde landingsplaats.

Het verwijt dat christenen zelf dwaas of bekrompen – in de zin van beperkt en gereduceerd – zijn in hun denken moeten we echter als het stof van ons afschudden. Ik wil de helden bij monde van Chesterton het laatste woord geven in deze discussie: “Want we moeten bedenken dat de materialistische filosofie in ieder geval zeer veel beperkter is dan welke religie dan ook. De christen is volstrekt vrij om te geloven dat er een grote hoeveelheid gevestigde orde en onvermijdelijke ontwikkeling in het universum is. Maar de materialist mag in zijn vlekkeloze machine nog niet het kleinste spatje spiritualisme of wondergeloof toestaan. De gezonde mens weet dat hij iets van een dier heeft, iets van een duivel, iets van de heilige, iets van een burger. Ja, de werkelijk gezonde mens weet dat hij iets van een gek heeft. Maar wereld van de materialist is uitermate simpel en solide, evenals de gek overtuigd is van zijn gezondheid.”[41]


Eindnoten

[1] Waarmee niet gezegd wil zijn dat zij allen onder één noemer te brengen zijn en de besproken personen alleen maar dit aspect aanhangen en niet veelzijdiger zouden zijn. Het gaat mij er slechts om aan te geven hoe de dwaasheid van het kruis en de paradox van het geloof in hun werk onder meer tot uiting komen.

[2] Ik besef dat dit een vrij lang artikel is, maar het is niet in het minst ook voor mijzelf om het op een rijtje te zetten. Hoewel alles mijns inziens de moeite waard is, kunt u eventueel volstaan met ‘diagonaal lezen’.

[3] Brink, G. van den, Oriëntatie in de filosofie, Zoetermeer: 2000, p. 89

[4] Meijering, E., Geschiedenis van het vroege Christendom, Amsterdam: 2006, p. 367; Spier, J.M., Van Thales tot Sartre, Kampen: 1959, p. 63

[5] Chrysostomus, J., ‘De dwaasheid van het kruis’, in: Laan, J.H. van der, Van God gesproken. De mooiste preken sinds de Bergrede, Amsterdam: 2007, p. 35

[6] Chrysostomus, ibidem, p. 40

[7] Chrysostomus, ibidem, p. 38

[8] Otten, W.J., Waarom komt u ons hinderen. Amsterdam: 2006, p. 119

[9] Augustinus, A., Belijdenissen. Amsterdam: 2002a, p. 97 (IV,xvi,31)

[10] Augustinus, 2002a, p. 166 (VII,xx,26)

[11] Augustinus, A., De stad van God, Amsterdam: 2002b, p. 480-481 (X,11)

[12] Augustinus, A., ‘Nederig van hart’, in: Laan, ibidem, p. 53

[13] Erasmus, D., Lof der Zotheid of De Dwaasheid gekroond. Een pronkrede, Amsterdam: 2006, p. 135

[14] Erasmus, ibidem, p. 133

[15] Erasmus, ibidem, p. 135

[16] Aan de dames op het dispuut: de auteur van dit artikel draagt geen verantwoordelijkheid voor ‘vrouwen’ in deze opsomming.

[17] Pascal, B., Gedachten, Amsterdam: 2004 , fr. 913 (Lafuma-nummering)

[18] Pascal, ibidem, fr. 188

[19] Pascal, ibidem, fr. 842

[20] Pascal, ibidem, fr. 695

[21] Pascal, ibidem, fr. 291

[22] Kierkegaard, Vrees en beven, Budel: 2007, p. 22, 25

[23] Kierkegaard, 2007, p. 37

[24] Kierkegaard, 2007, p. 51

[25] Kierkegaard, 2007, p. 58

[26] Kierkegaard, S.A., Een keuze uit zijn dagboeken, Utrecht/Antwerpen: 1957, p. 194

[27] Kierkegaard, 1957, p. 86

[28] Kierkegaard, 1957, p. 193

[29] Chesterton, G.K., Orthodoxie, Kampen: 2001, p. 109

[30] Chesterton, 2001, p. 122

[31] Chesterton, 2001, p. 204

[32] Chesterton, 2001, p. 218-219

[33] Chesterton, G.K., The Everlasting Man, New York: 2007, p. 5

[34] Chesterton, 2001, p. 223

[35] Otten, W.J., Het wonder van de losse olifanten. Een rede tot de ontwikkelden onder de verachters van de christelijke religie, Amsterdam: 1999, p. 18

[36] Otten, 1999, p. 21

[37] Lewis, C.S., Onversneden christendom, Kampen: 2003, p. 50

[38] Otten, W.J., ‘De onwaarschijnlijke Christus’, in: Communio, 2003(2): p. 148-159 (te lezen op student.ugent.be/gps/wjotten.php)

[39] Vgl. Paul, H., ‘Oude schrijvers en klassieke teksten. Inleiding tot de historische gesprekskunst’, in: De Civitate, 56(6): p. 29-33

[40] Vroom, H., Plaatsbepaling. Christelijk geloof in een seculiere en plurale cultuur, Zoetermeer: 2006, p. 31

[41] Chesterton, 2001, p. 26-27 (ingekort)

Download

Voor de Grieken een dwaasheid

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s