Het economische aspect in Dooyeweerds Wijsbegeerte der Wetsidee

Dooyeweerd

1. Inleiding

1.1. Introductie

Dit schrijven handelt over de (rechts)filosoof Herman Dooyeweerd (1894-1977) en zijn denken over de economische wetenschap. Hiermee begeven we ons binnen het vakgebied Filosofie van de Economie, dat zich bezighoudt met kwesties op het snijvlak van filosofie en economie en haar filosofisch wil doordenken. De voormalige hoogleraar aan de Vrije Universiteit van Amsterdam en één van de grondleggers van de Christelijke of Calvinistische (Reformatorische) Wijsbegeerte, geeft ‘het economische’ een plek in zijn Wijsbegeerte der Wetsidee[1], waaruit blijkt dat hij het classificeert als een onherleidbaar aspect van de werkelijkheid met bepaalde kernelementen en geregeerd door eigen wetten.

Een schriftuurlijke (bijbelse) visie op het economische in het geheel van de werkelijkheid zou volgens Dooyeweerd standen van zaken aan het licht brengen die in de gangbare economie verwaarloosd zijn. Deze werkelijkheidsvisie zou zijns inziens “geleid door het grondmotief der Woord-openbaring, zoowel de onherleidbaarheid en souvereiniteit in eigen kring van het economische aspect als zijn onlosmakelijken samenhang met alle andere aspecten der geschapen werkelijkheid” aan het licht brengen.[2]

Dit is om meerdere redenen relevant en aanleiding tot een verdere doordenking. Zoals verderop zal blijken, impliceert een ‘aspect van de werkelijkheid zijn’ bij Dooyeweerd dat er plaats is voor een bijbehorend wetenschappelijk vakgebied. Dit terwijl het wetenschappelijke karakter van de economie, die niet voor niets met vakwetenschap wordt aangeduid, soms ter discussie staat. Daarnaast is er discussie gaande over het statuut van wetten in de sociale wetenschappen, waar ook de economie toe wordt gerekend; zijn er economische wetten en hoe verhouden zij zich tot natuurwetten?[3] Volgens Dooyeweerd wordt de economie geregeerd door normatieve wetten, die niet van een natuurwettelijke, maar van culturele aard zijn. Ook op het verwijt dat de economische wetenschap een te reducerend beeld hanteert van de werkelijkheid en alles tot financiële waarde en economisch belang terugvoert[4], kan Dooyeweerd een antwoord bieden. Het economische is zijns inziens altijd in interactie met en zelfs noodzakelijk gefundeerd in andere werkelijkheidsaspecten.

Deze en meer redenen maken het zinvol om Dooyeweerds denken over het economische eens op een rij te zetten, er dieper op in te gaan en het belang voor de economische wetenschap te achterhalen.

1.2. Probleemstelling, afbakening en opbouw

De vraag die in deze thesis centraal staat, luidt: Wat is de plaats, inhoud en betekenis van het economische aspect in Dooyeweerds Wijsbegeerte der Wetsidee?

Deze probleemstelling vraagt in de brede zin naar 1) een plaatsbepaling van het economische aspect in de aspectenleer en de consequenties voor het economisch denken, 2) de daadwerkelijke zinkern van het economische aspect en de verhouding tot andere economische theorieën en 3) de betekenis van het economische aspect voor de economische wetenschap.

Om deze vragen te beantwoorden gaan we na wat Dooyeweerd over het economische aspect heeft geschreven in met name zijn De Wijsbegeerte der Wetsidee[5] en A New Critique of Theoretical Thought[6], een vertaling en bewerking ervan. Maar ook andere van Dooyeweerds publicaties en secundaire boeken of artikelen worden bij dit onderzoek betrokken.

Om het onderzoek overzichtelijk en beknopt te houden, zullen we niet de hele Wijsbegeerte der Wetsidee, haar motivaties en doelstelling behandelen. Beginnend vanuit het feit dat Dooyeweerd een economisch aspect onderscheidt in de werkelijkheid zullen letterlijk systematisch relevante onderdelen de revue passeren. Deze methode kunnen we motiveren met de volgende woorden:

“De eerste vraag in de economische methodologie behoort evenwel te zijn die naar de aard en de modale structuur van het economische aspect, die de eenheid van het wetenschappelijk economisch gezichtspunt in alle typische verscheidenheid van de materiële onderdelen van deze vakwetenschap moet waarborgen.”[7]

Het is nadrukkelijk niet de bedoeling al het schrijven van Dooyeweerd over de economische praktijk en maatschappelijke verhoudingen te betrekken in dit onderzoek. Hierbij valt te denken aan de ‘individualiteits-structuren der samenleving’ en de ‘theorie der enkaptische structuurvervlechtingen’ binnen de Wijsbegeerte der Wetsidee. Dit zou niet alleen een te grote onderneming zijn, maar tevens het zicht op ideeën over de economische wetenschap ontnemen. In termen van Dooyeweerds filosofie richten we  ons dus op zaken met betrekking tot de modale structuur van het economische.

In de onderzoeksopzet laten we ons leiden door Dooyeweerd zelf. In een eerder geciteerde voordracht over wetten in de economische wetenschap geeft hij min of meer aan waar een intrinsiek christelijke economische theorie uit zou moeten bestaan:

“Bij de analyse van de algemene structuur van het economisch aspect dient voor alles het kernmoment te worden opgespoord, dat aan dit aspect zijn onherleidbare geaardheid en eigenwettelijkheid waarborgt. Dan dienen de zgn. analogische of terugwijzende momenten in deze structuur te worden geanalyseerd, die in het economisch aspect den innerlijken samenhang met alle vroegere aspecten der werkelijkheid waarborgen (…). En eindelijk de zgn. anticipeerende of vooruitwijzende momenten in deze structuur, die in het economisch aspect zelve den innerlijken samenhang met de latere aspecten (…) handhaven en die ter laatste instantie den theoretischen blik richten op den religieuzen wortel van heel het economisch leven. (…) De analyse van de structuur van het economisch aspect brengt voor alles op onweerlegbare wijze het normatief karakter der economische wetten aan het licht, die echter in de goddelijke orde der werkelijkheid ons slechts als beginselen voor de economische waardering gegeven zijn.”[8]

Deze thesis is naar dit idee opgebouwd, hetzij in iets aangepaste volgorde en met toevoeging van hoofdstuk 6. In hoofdstuk 2 komt allereerst het economische binnen de aspectenleer en het statuut van de economische wetenschap aan bod. In hoofdstuk 3 wordt vervolgens de zinkern van het economische uiteengezet en vergeleken met andere opvattingen over economie. Hoofdstuk 4 handelt over economische wetten en het niet natuurwettelijke, maar normatieve karakter ervan. Hoofdstuk 5 gaat over het economische in relatie tot andere werkelijkheidsaspecten, of wel over anticipaties en retrocipaties. In hoofdstuk 6 komt het tijdsaspect binnen het economische aspect aan bod. Hoofdstuk 7 vat de voorafgaande hoofdstukken samen en probeert hieruit lessen te trekken voor de economische wetenschap. Tot slot volgen in hoofdstuk 8 een samenvatting en conclusies. Het geheel wordt afgesloten met een literatuuroverzicht.


2. Het economische aspect

2.1. Het economische als werkelijkheidsaspect

Dooyeweerd vangt zijn De Wijsbegeerte der Wetsidee aan met de opmerking dat zich aan ons allerlei samenhangende zijdes van de werkelijkheid voordoen als we haar op een naïeve, dat wil zeggen niet-wetenschappelijke, manier bekijken. De naïeve ervaring “vat de werkelijkheid van onze wereldsamenhang (…) in de concrete, individueele eenheid van dingen en samenlevingsverbanden, en hun onderlinge betrekkingen”[9]. Het economische is een voorbeeld van een dergelijke zijde; het is een gezichtspunt om naar de werkelijkheid te kijken. In het dagelijks leven worden we concreet geconfronteerd met economische zaken en verbanden. Zo nemen we aanbieders en kopers van economische goederen waar en zijn ons bewust van beurskoersen en geldstromen. Een andere zegswijze, die we vanaf nu zullen hanteren, is dat het economische een modaal aspect is, afgeleid van modus dat wijze of manier betekent. De dingen in deze werkelijkheid – in de ruimste zin van het woord – hebben diverse zijnswijzen, waarvan het economische er één is.

Echter, op zichzelf bestaat het economische niet. Zelfs een bij uitstek economisch goed of een voluit economische handeling is niet gelijk te stellen aan of te reduceren tot het economische. Dooyeweerd stelt dat er een “onverbrekelijke verbondenheid van al hare verschillende zijden”[10] in de werkelijkheid is. Andere aspecten die hij naast het economische onderscheidt, zijn het aritmetische (het getalsaspect), het ruimtelijke, het kinematische (het bewegings-), het fysische (het organische), het biotische, het psychische, het analytische (het logische), het historische, het linguïstische, het sociale (het omgangs-), het esthetische, het juridische (het rechts-), het ethische (het morele) en het pistische (het geloofs-).[11] Allemaal zijn het aspecten van de werkelijkheid zoals wij die ervaren.

Geen enkel aspect bestaat in de werkelijkheid op zichzelf, maar alles wijst op een onderlinge samenhang. Met andere woorden: “In geen der zin-zijden ligt de volheid der tijdelijke werkelijkheid”[12]. Om die reden doen we de werkelijkheid, die Dooyeweerd als zodanig door God als een ‘zin-totaliteit’ geschapen ziet, te kort als we er een aspect uit abstraheren:

“In iedere zijde van onzen kosmos drukt zich uit de samenhang aller zijden en ook deze samenhang wijst boven zichzelve uit naar een diepere totaliteit, die zich in dien samenhang uitdrukt.”[13]

Hoewel alle aspecten dus met elkaar vervlochten zijn, is het mogelijk bepaalde objecten of fenomenen al dan niet als economisch gekwalificeerd te beschouwen. Alles kan economisch worden bezien, hoewel niet alles er door wordt ‘getekend’: alles heeft een economische subjectsfunctie, maar is niet altijd als een ‘qualificeerende functie’. Bijvoorbeeld een boek, dat op het eerste gezicht niet meer is dan een stapel vellen papier, is een verhandelbaar economisch object. Een boek heeft duidelijk een economisch aspect, maar is niet primair economisch. Dooyeweerd noemt een boek dan een “gequalificeerd individueel prijs hebbend spaar-object”[14]. Anders is dit met een stapel specifieke velletjes papier, namelijk bankbiljetten of valutapapieren. Deze hebben fysische of aritmetische aspecten, maar worden primair door het economische gekwalificeerd.

2.2. Het economische als wetenschapsgebied

De opsomming van aspecten die vaak kortweg wordt aangeduid met Dooyeweerds aspecten- of modaliteitenleer, kan worden beschouwd als een antireductionistisch signaal voor het wetenschappelijk denken.[15] In de loop van de filosofiegeschiedenis zijn heel wat pogingen gedaan om heel de werkelijkheid te verklaren vanuit één grondbegrip of wetenschap. Zo is gepoogd alle verschijnselen te reduceren tot economische verhoudingen en belangen, bijvoorbeeld in de politieke filosofie van Karl Marx, waarin een materialistische geschiedenistheorie doorklinkt.[16]

Dooyeweerd bestrijdt het idee dat een bepaalde vakwetenschap de meest funderende is. Niet toevallig corresponderen de genoemde modale aspecten met een aantal specifieke vakwetenschappen. Aan Abraham Kuyper ontleent hij de terminologie ‘soevereiniteit in eigen kring’ om aan te geven “dat de verschillende wetenschappen niet tot elkaar herleidbaar zijn omdat de aspecten van de werkelijkheid waarop ze betrokken zijn niet tot elkaar herleid kunnen worden”[17]. Ook het economische aspect heeft hiermee een onherleidbare kring of wel wetenschapsgebied. Dooyeweerd zegt over “de moderne beoefenaren van de (…) theoretische economie” dat zij “de empirische werkelijkheid zelve onder een bepaald ‘modaal aspect’, nl. het economische, onderzoeken”. Dit laatste vormt zijn inziens “het onderzoeksveld van de eigenlijke economische theorie”.[18]

Dooyeweerds antireductionisme impliceert dat iedere reductie van de werkelijkheid in economische termen onvolledig is. Er treedt dan ook pas binnen het wetenschappelijk denken een nadrukkelijke zin-verscheidenheid op in de zin-totaliteit. De daadwerkelijke verscheidenheid aan zin-zijden wordt pas duidelijk zichtbaar in de wetenschappelijke abstractie van één van de aspecten.[19] Het is echter een denkhouding die aan het naïeve denken ten enenmale vreemd is.[20]

Bij dit laatste sluit ook Dooyeweerds denkarbeid aan die bekend staat als de ‘transcendentale kritiek van het wijsgerig denken’. Hierin probeerde hij het wetenschappelijk exclusivisme te overwinnen, waarin allerlei (filosofische) richtingen het wetenschappelijk monopolie probeerden op te eisen. Het ging hem er om het theoretische denken als zodanig in kantiaanse zin te ‘bekritiseren’ en zich af te vragen: “Door welke typische trekken onderscheidt het wetenschappelijke denken zich van het voorwetenschappelijke denken van de ervaring van het alledaagse leven?”[21]. Zijn antwoord is dat er in het wetenschappelijke denken een theoretische afstand wordt geschapen tussen het logische aspect en de niet-logische aspecten. Hier treedt dan ook een wetenschappelijk probleem op, want er is een Gegenstand, weerstand van de niet-logische aspecten om zich te laten vatten in deze theoretische antithese. Dooyeweerd spreekt in dit verband over een “principieel manco tegenover de naieve ervaring”[22].

Deze antithetische relatie beantwoordt dan wel niet aan de volle werkelijkheid, zonder haar zou wetenschap onmogelijk zijn.[23] Dooyeweerd spreekt zelfs over een enorme winst van deze vakwetenschappelijke denkhouding, omdat zij allerlei nieuwe zinzijden van de werkelijkheid ontsloot.[24] Ook voor het economisch-wetenschappelijk denken geldt dus dat zij op theoretische afstand staat van onze ervaringswerkelijkheid en dat dit onvermijdelijk is. Wel zal altijd in het achterhoofd moeten worden gehouden dat zij slechts een abstractie is en de werkelijkheid niet ‘onberoerd’ laat, zoals in de naïeve werkelijkheidservaring.

De economische vakwetenschap mag bovendien niet functioneren in een “isolement met geblindeerde vensters”[25], dat wil zeggen zonder met de zin-samenhang met andere aspecten van de werkelijkheid rekening te houden. Sterker nog: zonder kennis van alle aspecten is bestudering van het economische onvolledig. Binnen een aspect van de werkelijkheid onderscheidt Dooyeweerd namelijk een functionele samenhang en interne structuurverschillen. Zo staan alle economische verschijnselen in een functionele economische samenhang, maar zijn er ook interne structuurverschillen, die het onmogelijk maken al deze verschijnselen louter met een economisch functiebegrip te benaderen. Als voorbeeld noemt hij de (Oostenrijkse) klassieke school en de moderne reine Ökonomie, die de maatschappelijke (vrije) marktverhoudingen verabsoluteren ten koste van de interne verbandstructuren in het economisch leven.[26] Dit is een kwestie van een onjuiste verabsolutering van het economische functiebegrip.

2.3. Het economische gefundeerd in het sociale

De in de eerste paragraaf opgesomde aspecten – voor de goede orde: Dooyeweerd plaatst het economische tussen het sociale en esthetische aspect – stonden niet in willekeurige volgorde. In zijn eigen woorden:

“De zinzijden der werkelijkheid, welke in wetskringen zijn besloten, liggen niet willekeurig door elkander, doch zijn in de tijdsorde der kosmische wet, in een kosmisch vroeger en later samengevoegd en deze orde moet uit de functioneele zin-structuur der wetskringen zelve worden uitgelezen.”[27]

Over wetskringen en wetten komen we in hoofdstuk 4 te spreken, maar Dooyeweerd verklaart de volgorde van aspecten met een ‘kosmische funderings-verhouding’: de kosmisch vroegere aspecten funderen latere aspecten. Eenvoudiger gezegd veronderstellen later genoemde aspecten eerdere en andersom niet. De funderende aspecten noemt hij ‘substraatkringen’ en de gefundeerde aspecten ‘super-substraatkringen’.

Wat betreft het economische betekent dit het volgende. Om de werkelijkheid aritmetisch te bezien is geen economische theorie vereist, maar andersom is het niet mogelijk economisch te denken zonder het getal. Sterker nog, het economische veronderstelt alle eerder genoemde modale aspecten van het aritmetische tot en met het sociale. Een belangrijke implicatie hiervan is dus dat het economische het sociale veronderstelt. Economische activiteiten zijn gefundeerd op intermenselijke omgang en verkeer en niet andersom. Het economische rust primair op het sociale, omdat de waarde van dingen pas tot stand komt door omgang en verkeer tussen mensen.[28]

De econoom Roelf Haan heeft erop gewezen dat om die reden het economisch probleem niet het probleem van een geïsoleerd individu kan zijn.[29] Uitwisseling van goederen en diensten impliceert immers het bestaan van andere mensen. Dooyeweerd verbindt dit thema met culturele ontwikkeling: “conventional or ceremonial economy is not found in primitive society, but in developed social life only”[30]. We zouden kunnen zeggen dat de ontplooiing van het economische een gedifferentieerde samenleving veronderstelt. Merk op dat Dooyeweerd het sociale aspect beperkt tot ‘omgang en verkeer’. Het gaat hier nog niet om intersubjectiviteit, maar slechts interactie. Hoe dan ook, menselijke interactie blijft noodzakelijk om tot economische activiteit te komen.

Wetenschappelijk gezien resulteert deze fundering in het sociale aspect er in dat het economische de sociale werkelijkheid onder ‘puur modaal gezichtspunt’ niet laat verstaan en de sociologie haar deze grondslag moet bieden. De economische theorie heeft dus altijd de sociologie, als een totaalwetenschap, nodig.[31]

Het economische is niet alleen gefundeerd in andere modale aspecten, maar zelf ook funderend voor later genoemde modaliteiten. Zo is het niet mogelijk te spreken over het esthetische, het juridische, het ethische en het pistische aspect Van der Kooy stelt in lijn van Dooyeweerd: “Het economische is onmisbaar voor de ontplooiing van de andere levensfacetten”[32]. Hierover meer in hoofdstuk 5.


3. De economische zinkern

3.1. Economie als waarden-vereffenend sparen

Eén van de waarborgen van de soevereiniteit in eigen kring en de modale zin-bijzonderheid van een aspect is dat er een zinkern in aanwezig moet zijn. Hiermee wordt bedoeld dat het typerende van een aspect moet worden omschreven. Met betrekking tot het economische aspect is het Dooyeweerd dus niet te doen om een nieuwe economische theorie te vervaardigen, maar te duiden wat het betekent om economisch te zijn.[33]

Vermoedelijk omdat economie aan de rand van Dooyeweerds belangstelling lag[34], is zijn schrijven over de economische zinkern beperkt. Desondanks geeft hij hier op een aantal plaatsen in zijn werk invulling aan, met name in A New Critique of Theoretical Thought. Uit dit boek zullen we nu stapsgewijs een passage citeren over ‘the origin and the analogical use of the term economy’, te beginnen met een definiëring van economie:

Its foundational (non-analogical) scientific meaning is the sparing or frugal mode of administering scarce goods, implying an alternative choice of their destination with regard to the satisfaction of different human needs.”[35]

Het gaat in de economie dus om een besparende houding, waarin schaarse goederen worden beheerd, rekeninghoudend met alternatieve bestemmingen, teneinde diverse menselijke behoeftes te bevredigen. In de wetenschappelijke betekenis is economie dus kortweg te definiëren als een ‘waarden-vereffenend sparen’[36], in Dooyeweerds eigen samenvatting, of ‘waarden-afwegende besparing’[37]. Merk op dat beide definities een bepaling van de soort schaarse goederen en zelfs een verwijzing naar geld ontbreekt.

Bij de termen sparing en frugal, die we kunnen vertalen met ‘besparende’ en ‘spaarzaamheid’ of ‘zuinigheid’, merkt Dooyeweerd vervolgens op:

The adjectives ‘sparing’ and ‘frugal’ do not have the limiting sense of the economical term ‘saving’ (said of money for instance). They are only the correlatives of ‘scarce’ and refer to our  awareness that an excessive or wasteful satisfaction of a particular need at the expense of other more urgent needs is uneconomical.”[38]

Het gaat in de economie dus niet zozeer om een besparing van geldmiddelen, maar om een zo efficiënt mogelijk gebruik maken van middelen in het streven naar maximalisering[39] van behoeftebevrediging. Het is een zuinigheid op grond van het feit dat zaken die voor het gebruik aan iedereen ter beschikking staan niet onbeperkt aanwezig zijn.[40] Dooyeweerd schrijft: “Van economie kan eerst sprake zijn bij krapheid van de middelen ter bevrediging van menschelijke behoeften, scherper uitgedrukt bij krapheid van dienstige goederen”[41]. Hij voegt daaraan toe dat om die reden bijvoorbeeld vrije lucht geen economische waarde heeft, eenvoudigweg omdat haar voorraad onbegrensd is en ze niet ‘in een waarden-vereffenend spaarschema kan fungeren’. Tegelijkertijd draait het om een te kwantificeren schaarste, waar dus ook meer of minder prioriteit aan kan worden ontleend. Elders spreekt hij daarom over “different needs after a scale of urgency”[42]. Het gaat hier om behoeftebevrediging naar rangorde van dringendheid.

In een derde citaat uit A New Critique of Theoretical Thought komt de economisch-spaarzame houding verder tot uiting:

Economy demands the balancing of needs according to a plan, and the distribution of the scarce means at our disposal according to such a plan. In this fundamental sense the term is used in the science of economics, in which the word economy requires no further modal qualification.”[43]

Wederom benadrukt Dooyeweerd dat economie draait om een beheer ofwel het hebben van een plan om schaarse goederen aan te wenden. Gelet op de term administering sluiten deze definities van economie aan bij het Griekse grondwoord oikonomou, dat beheer van het huishouden betekent en wijst op het beheren van goederen.[44] Het laatste deel van het citaat zou erop wijzen dat in de ogen van Dooyeweerd het uitgangspunt of de invalshoek waarmee de economische wetenschap in zijn tijd de verschijnselen benadert correct is.[45]

Ter afsluiting van de citering van A New Critique of Theoretical Thought de opmerking dat sommigen economen onderscheid maken tussen de originele wetenschappelijke zin en het technisch gebruik van economie. Bij dit laatste moet gedacht worden aan toepassing van economische principes op technische problemen. Dooyeweerd onderkent dit onderscheid, maar stelt dat zich ook in het technisch gebruik van deze principes de wetenschappelijk-economische zin voordoet: “The fundamental meaningmoment which every economical analogy refers to is that of frugality, the avoidance of superfluous or excessive ways of reaching our aim”[46]. Over analogieën komen we in hoofdstuk 5 verder te spreken, maar duidelijk is dat de economische zinkern ook geldig is binnen toepassingen van economisch denken en verwijzingen naar economie.

Tot slot een andere definiëring, die weer een nieuw licht werpt op het economische, uit Dooyeweerds (niet-uitgegeven) Encyclopaedie der rechtswetenschap:

“Besparing is de zin-kern van de economische waardeering, welke in het economisch goed als prijs-hebbend voorwerp is geobjectiveerd. Het economisch goed als economisch object heeft slechts economische waarde voor een sparend subject. De economische waarde is de resultante van een geestelijke, normatieve vereffening van de diensten der economische goederen in een spaar-schema.”[47]

Ook hier komt in naar voren dat het in economie draait om besparing. Het economische wordt echter direct gekoppeld aan waardering, die tot stand komt door enerzijds de behoefte van een sparend economisch subject en anderzijds door een geestelijke en normatieve vereffening. Economie is dus normatief en handelt volgens normen, maar meer hierover volgt in hoofdstuk 4.

3.2. Een vergelijking met andere opvattingen

De vraag die opkomt na de vorige paragraaf is hoe gangbaar Dooyeweerds opvatting over economie is. We hanteren als definitie het eerste deel van het citaat uit A New Critique of Theoretical Thought: “the sparing or frugal mode of administering scarce goods, implying an alternative choice of their destination with regard tot the satisfaction of different human needs”. Deze definitie kan als volgt worden ontleed in vier universele componenten in het economische aspect van ieder economisch gedrag:

(D1) Human needs

(D2) Scarce resources

(D3) An alternative choice of their destination with regard tot the satisfaction of the human needs

(D4) A frugal or efficient choise regarding this destination.[48]

Hierin dient (D2) ruim te worden opgevat als zowel schaarse goederen als productiefactoren. We kunnen (D1) en (D2) zien als aanleidingen tot en (D3) en (D4) als restricties in het economisch gedrag. Hieruit volgt dat zonder de aanleidingen (D1) of (D2) de noodzaak tot economisch gedrag ontbreekt.

Allereerst valt op dat Dooyeweerds aanduidingen van de kern van economie aansluiten bij de verwoording van de economische wetenschap zoals de econoom en tijdgenoot Lionel Robbins die geeft. Ook hij spreekt over een verscheidenheid van doelstellingen en behoeften, een rangorde van dringendheid, een schaarse toereikendheid, een alternatieve aanwendbaarheid en een daaruit voortvloeiende keuze voor het subject.[49] In zijn An Essay on the Nature and Significance of Economic Science heeft Robbins het zelfs over een economic aspect. Over het economische subject schrijft hij: “(…) he has to choose. He has to economize. The disposition of his time and his resources has a relationship to his system of wants. It has an economic aspect.”[50]. Dooyeweerd lijkt dus aansluiting te zoeken bij de economische wetenschap van zijn tijd.

Wanneer we kijken naar definities van economie in actuele handboeken, is er wel verschil. Michael Katz en Harvey Rosen definiëren economie als “the study of how people and societies deal with scarcity” en Paul Samuelson en William Nordhaus als “the study of how societies use scarce resources to produce valuable commodities and distribute them among different people”.[51] Deze vrij willekeurige voorbeelden laten zien dat ook in deze definities schaarste de aanleiding vormt tot economisch handelen en in het  laatste geval ook de distributie van goederen van belang is. Bob Goudzwaard merkt terecht op dat in veel economische theorieën de inhoud wordt geabstraheerd en er wordt geconcentreerd op de gemeenschappelijke vorm van handelen.[52] Opvallend is dat Dooyeweerds definitie meer het actieve beheer en de spaarzame houding benadrukt en het heeft over oneconomisch handelen en verspilling. Zijn definiëring is dus minder passief en functioneert meer op het inhoudelijk of zelfs ethisch vlak. Hier komen we in paragraaf 5.4. op terug.

Naast dit verschil in insteek kunnen we stellen dat in sommige concurrerende opvattingen over wat economie is er verwarring optreedt met andere zinkernen of dat het spaarzaamheidbeginsel in gevaar komt. Dooyeweerd bestrijdt in dit verband specifiek het humanistische idee van de mathesis universalis (het mathematisch wetenschapsideaal) in de zuivere economie.[53] In de monetaire prijs als een objectieve waardemeter en economische waardering zijn zeker analogieën met het aritmetische aspect en tevens bewegingsanalogieën in prijsbeweging en marktevenwicht, maar zij ontnemen als pseudo-natuurlijke theorieën het zicht op de kern van het puur economische aspect.

Andere vergelijkingen, die niet van Dooyeweerd zelf komen, zijn de volgende.[54] Een moderne opvatting die economie reduceert tot financiering en zoekt naar een balans tussen winstmaximalisatie en budgetrestricties herleidt economie in feite tot het aritmetische aspect. Het binnen het budget blijven is een vorm van spaarzaamheid, maar een numerieke maximalisatie is een puur aritmetische bezigheid. Ook de gelijkstelling van economie aan processen van vraag en aanbod of consumptie en distributie doet haar tekort. Het verantwoordelijke principe van spaarzaamheid ontbreekt namelijk in deze conceptie en uitputting van middelen of verspilling liggen op de loer. Tot slot kan het in de economie ook niet slechts gaan om waarde of waardering. Hoewel schaarste er verband mee houdt, is waarde niet primair economisch. De waarde van goederen of diensten wordt namelijk uiteindelijk subjectief bepaald.


4. De economische wetskring

4.1. De wetsidee en de economische wetskring

Afgaande op de boektitel De Wijsbegeerte der Wetsidee ligt aan Dooyeweerds filosofie een ‘wetsidee’ ten grondslag. Enerzijds doelde hij hiermee op de opvatting dat elke filosofie wortelt in een bepaald grondidee over de werkelijkheid en anderzijds dat hij met het Calvinisme “de wet als de onoverkomelijke grens tusschen Schepper en schepping” zag en daarmee “de Souvereiniteit Gods over al het geschapene”.[55] God heeft dus aan deze werkelijkheid natuurwetten, wetmatigheden en normen toegekend, waar het geschapene wél en niet Hijzelf aan onderworpen is. Dit alles wordt aangeduid met de ‘kosmische wetsorde’, een goddelijke tijdelijke wereldorde.[56]

De kosmische wetsorde is geen optelsom van alle afzonderlijke wetmatigheden, maar onderverdeeld in wetskringen van soorten van wetten. Wetskring, “omdat in den term wetskring de onderlinge onherleidbaarheid, de functionele geslotenheid, de ‘souvereiniteit in eigen kring’ der zin-zijden scherp tot uitdrukking komt”[57]. Zo kan er ook gesproken worden over een economische wetskring. Hierbinnen is het niet de taak van de economische wetenschap om wetten op te stellen, maar om ze aan de schepping te ontdekken.

Omdat wetten er zijn om gehoorzaamd te worden, is de mens er als subject aan onderworpen. De wet is de “be-grenzing van een subject” en de wet heeft slechts een zin “in onverbrekelijke correlatie tot het subject”, de subjectsidee.[58] Er bestaat dus geen wet zonder subject (en andersom). De economische wetenschap onderzoekt de mens dan ook alleen in zoverre als hij onderworpen is aan economische wetten: “In den economischen wetskring is de mensch economisch subject aan eigengeaarde economische handelingsnormen, niet aan normen der moraal”[59]. Zoals bleek in hoofdstuk 2 functioneren niet alle dingen als subject in de economische wetskring. Een plant of dier heeft bijvoorbeeld geen subjectsfunctie in het economische, maar heeft als object wel economische waarde.

Dooyeweerd stelt dat de wetten uit de wetskringen vanaf het analytische (logische) aspect een normatief karakter hebben. Dit betreft dus ook het economische aspect. Voor deze wetten geldt dat het subject zich ernaar behoort te gedragen en er anders een niet-logische denkwijze op na houdt: “Logische wetten dwingen hun eigen naleving niet af; men kan in overeenstemming of in strijd ermee redeneren; het is mogelijk ‘logisch’ te denken en ‘onlogisch’. Deze vrijheid van handelen bestaat ook ten opzichte van de economische rationaliteit.”[60]. De wetten van de voor-analytische wetskringen hebben het karakter van een natuurwet en zijn niet te negeren of te breken (denk bijvoorbeeld aan de zwaartekrachtswet in de fysische wetskring). Ook voor de economische wetskring geldt dat haar wetten slechts normatieve beginselen zijn. Vergelijk de uitspraak van Roelf Haan:

“‘A ‘norm’ is always a rational standard, founded in the logical manner of distinction’. As economic science studies human behavior according to economic norms, economics is per definitionem a normative science, in contrast with the study of the ‘laws of nature’”[61]

We zullen eerst verder ingaan op het normatieve karakter van de economische wetenschap en vervolgens het contrast met de natuurwetenschap schetsen.

4.2. Economische wetten als normatieve beginselen

Volgens Dooyeweerd heeft de economische wetenschap er zich te gemakkelijk bij neergelegd dat zij slechts empirisch van aard is:

“De moderne economische theorie heeft, althans in de overheersende opvatting, het normatief karakter van het economisch aspect der verschijnselen, dat door de plaats van dit aspect in de gehele modale orde der werkelijkheid is verzekerd, voorbarig uitgeschakeld en zich – in oncritische aanvaarding van de tegenstelling tussen normatieve en empirisch verklarende wetenschappen – in het kader van de laatste gevoegd.”[62]

De economische wetenschap bestudeert dus niet alleen empirisch-waarneembare economische gedragingen, maar is tegelijkertijd een normatieve wetenschap. Om misverstanden te voorkomen wil Dooyeweerd niet ontkennen dat een “statische beschrijving van regelmatigheden in het menschelijk handelen in zijn economisch aspect”[63], dus een empirische benadering, waardevol kan zijn. Voorop staat wel dat het menselijk gedrag in zijn economisch aspect geregeerd zal moeten worden door economische waarderingsmaatstaven. Haan schrijft over de relatie tussen empirie en normativiteit: “Economic life in its empirical appearance has a normative structure, depending on the way the economic principle has been given a positive content”[64]. Over de betekenis van deze normativiteit is Dooyeweerd zeer duidelijk:

“Op het standpunt van de Wijsbegeerte der Wetsidee moet echter worden vastgehouden aan de gedachte, dat er inderdaad economische wetmatigheden van algemeen-geldigheid bestaan, die in de structuur van het economisch aspect als zoodanig besloten en in de goddelijke scheppingsorde geworteld zijn.”[65]

Dat de in de economie geldende wetten een norm-karakter dragen impliceert dat navolging of overtreding mogelijk is. Bij overtreding valt te denken aan verkwisting, oneerlijke concurrentie en woeker. Met andere woorden kan er sprake zijn van economisch en oneconomisch handelen. ‘Oneconomisch’ dient te worden onderscheiden van ‘niet-economisch’: “‘Uneconomical’ is of course not the same as ‘non-economical’.The latter adjective would mean ‘not belonging to the economic sphere’, whereas an ‘uneconomical manner of behavior can occur only within the economical aspect”[66].

Deze algemeen geldende wetmatigheden zijn slechts als beginselen voor de economische waardering gegeven. Het is dus noodzakelijk dat deze beginselen door economen nog nader worden geconcretiseerd in het licht van de economische zinkern. De vormgeving van deze wetten is dus automatisch historisch en cultureel bepaald. Om die reden kunnen we spreken over positief economische wetten (vergelijk het positief recht).

Over de positief economische wetten doet Dooyeweerd als niet-econoom geen duidelijke uitspraken, behoudens opmerkingen als “de economischen norm van vraag en aanbod, die den prijs naar de economische zijde reguleert”[67]. In zijn uiteenzettingen over de mogelijkheid van ‘medezeggenschap der arbeiders in de bedrijven’ komt desalniettemin een aantal zaken aan bod, die we aanhalen om het thema van normativiteit wat concreter te maken.

Van een ‘laissez faire, laissez aller’-principe met betrekking tot de relatie staat en economie, dat stelt dat de staat niets van doen heeft met het economisch leven, kan vanuit de calvinistische beschouwing geen sprake zijn: “De Calvinistische rechtsbeschouwing is boven-persoonlijk, als zijnde gegrond in ordinantiën Gods, die niet de souvereiniteit van het individu en evenmin die van ‘de gemeenschap’, maar alleen de souvereiniteit der goddelijke inzettingen poneeren”[68].

Van ‘specifiek-economische ordinantiën Gods’ geeft Dooyeweerd ook voorbeelden. Zo is er de wet van economische ongelijkheid wat betreft goederenbezit, maar ook economische aanleg en ongelijkheid. Deze zijn tot uitdrukking gekomen in de schepping van man en vrouw. De wet van economische ongelijkheid toont zich verder in de economische wet van verdeling van arbeid, welke een doorwerking is van de eerder genoemde ongelijkheid. Ook de specifiek passende bedrijfsvorm is een wetmatigheid: “Gods ordinantiën beheerschen ook het economisch leven en roepen telkens in de historie dien specifieken bedrijfsvorm op, die bij de omstandigheden past”[69].

4.3. Kritiek op economische natuurwetten

Blijkens een eerder aangehaald referaat van Dooyeweerd was de ontwikkeling van een ‘intrinsiek christelijke economische theorie’ niet mogelijk zonder inzicht in de geaardheid van de economische wetten. Het wetsbegrip in de economie was zijns inziens dan ook aantoonbaar afhankelijk van het religieuze uitgangspunt (wetsidee).[70]

Verkeerde uitgangspunten zag hij in de mathematische richting van Joseph Schumpeter en de school van Lausanne, die economische wetten herleidden tot slechts mathematische vergelijkingen, de sociologische opvatting van Max Weber en zijn school, die economische wetten zagen als ‘ideaal-typische regels’ om het subjectief economisch handelen te verstaan en te voorspellen, en modern-fenomenologische opvattingen van Joseph Back en de Duitse historische school, die economische wetten slechts wensten te onderscheiden in een beschrijving van historisch-economische ontwikkelingen. Deze richtingen deden zijns inziens geen recht aan de totale werkelijkheid en het ware karakter van economische wetten.

Dooyeweerd heeft met name moeite met denkrichtingen “welke aan de economische wetten het karakter van onverbrekelijke en voor altijd geldende natuurwetten toekenden”[71], zoals de opvatting van de fysiocraten en de klassieke school. Economische wetten verheffen tot natuurwetten heeft zijns inziens onwenselijke gevolgen. In een paragraaf over ‘de relatieve zin-ontsluiting in den economischen wetskring en de disharmonie dezer ontsluiting onder leiding van het verlichtingsgeloof’[72] bespreekt hij hoe in het moderne verlichtingsdenken het economisch individualisme opkomt en leidt tot een sterke rationalisering van het economische leven. Hoewel met de vrijmaking van de individuele ondernemingsgeest het afgesloten economische leven van de Middeleeuwen werd uitgebannen, werd de economische wet van vraag aan aanbod als norm voor de prijsvorming niet alleen als norm voor de economische maatschappijverhoudingen gezien, maar tevens verabsoluteerd tot zuivere natuurwet. Dooyeweerd schrijft:

“De overmatige individualiseering en rationaliseering van het vormingsproces, geleid door het geloof in de souvereiniteit van het atomiseerend natuurwetenschappelijk denken, leidde in de economischen wetsvorming zelve tot een afgodendienst met de abstract individualistische idee van den ‘homo economicus’: de nuchtere berekening van eigen gewin werd het eenige richtsnoer van het economisch leven en overwoekerde iedere binding aan de economische verbandsprincipes.”[73]

Waar hij feitelijk tegen ageert, is de vernietigende invloed van het modern-natuurwetenschappelijk denken in de economische wetskring, die alle sociale principes binnen de economie overschaduwde. De utilaristische geest van de Verlichting heeft zijns inziens niet de juiste zin-ontsluiting van de economische wetskring betekend, maar arbeiders overgeleverd aan de loonslavernij.[74]

De kerngedachte blijft dat ook de natuurwetenschappelijke opvatting van economische wetmatigheden geen recht kan doen aan de normatieve geaardheid van het economische aspect. Zodoende kan er niet zonder meer worden gesproken over de tegenstelling economisch en oneconomisch, omdat een denk- of handelsnorm ontbreekt.[75]


5. Economische anticipaties en retrocipaties

5.1. De zin van modale anticipaties en retrocipaties

Dooyeweerd stelt zich aan het begin van zijn behandeling van de door hem onderscheiden aspecten een vraag, die zijns inziens nog nooit eerder in de filosofie is gesteld, namelijk waar de merkwaardige woordverbindingen van termen uit verschillende wetenschappen naar verwijzen. Zo wordt er wat betreft het economische soms gesproken over een ‘denk-economisch beginsel’ of over ‘economische conjunctuurbewegingen’. Hij schrijft:

“De denk-economie moge niet in economischen zin te verstaan zijn, het is toch niet willekeurig, dat in deze woord-verbinding een eigenaardig zin-verband tusschen logischen en economische zin wordt aangeduid.”[76]

De vraag is dus om welke reden er in verschillende wetenschapsgebieden gelijke grondbegrippen worden gebruikt. Volgens Dooyeweerd kan de soevereiniteit in eigen kring van een wetskring slechts gewaarborgd worden als er een zinkern in aanwezig is en ‘modale zinmomenten’, die terugwijzen naar eerdere en latere wetskringen. De terugwijzende modale zinmomenten noemt hij ‘analogieën’ of ‘retrocipaties’ en de vooruitwijzende ‘anticipaties’.[77] Hierin ligt dan ook de verklaring voor de merkwaardige verbinding van vaktermen: de aspecten van de werkelijkheid zijn samenhangend en tussen de kernbegrippen van de aspecten bestaan dwarsverbindingen.

Nu is er een hele reeks aan anticipaties en retrocipaties vanuit het economische enerzijds en anticipaties en retrocipaties naar het economische te onderscheiden, die de economische zinkern waarborgen en nog meer verduidelijken. We kunnen zeggen dat het feit dat het economische aspect te midden van de andere aspecten in relatie tot de gehele werkelijkheid staat, blijkt uit de anticipaties en retrocipaties. Of in Haans woorden:

The place of the economic aspect, then, appears to lie after the social, and before the aesthetic and juridical spheres, because there are economic ‘anticipations’ within the social and economic ‘retrocipations’ within the aesthetic and juridical aspects.”[78]

Dooyeweerd zelf stelt zich het idee van modale anticipaties en retrocipaties voor als een in twee gelijke helften verdeelde wiskundige cirkel met in het middelpunt de zinkern van een aspect. De stralen die de cirkel aan de linker kant verlaten, zijn de modale retrocipaties, die aan de rechterzijde de modale anticipaties.[79]

5.2. Anticipaties en retrocipaties vanuit het economische

Allereerst dienen we dus anticipaties en retrocipaties vanuit het economische aspect te onderscheiden. We zullen kijken naar een aantal voorbeelden.

Dooyeweerd spreekt in zijn schrijven over de analogische grondbegrippen der vakwetenschappen over economische ruimte, beweging en leven als voorbeelden van economische anticipaties, waarbinnen het kernmoment toch binnen het economische blijft.[80] In De Wijsbegeerte der Wetsidee noemt hij nog het economisch gevoel.[81] Haan heeft het over de retrocipatie vanuit de economische sfeer naar het fysische in het concept van economisch evenwicht en in het concept van economische ontwikkeling of groei is er een terugwijzing naar het biotische aspect.[82] Commentator J.M. Spier spreekt nog over het uitdrukken van economische waarde in prijssymbolen en de historische analogie van de prijsvorming.[83] Maar al deze voorbeelden van economische anticipaties en retrocipaties worden verder niet uitgewerkt.

Uitgebreider spreekt Dooyeweerd over een economische anticipatie in het principe van de beschavingeconomie.[84] Dit principe van de historische modaliteit, dat via het economische aspect heenwijst naar het esthetische en juridische aspect, stelt dat in het historische verkeer tussen volkeren en de uitwisseling van geestesschatten tussen de beschavingen de individualiteit wordt gehandhaafd en er geen excessieve of overmatige machtinvloeden een plaats hebben.

5.3. Anticipaties en retrocipaties naar het economische

Er zijn niet alleen vanuit het economische aspect retrocipaties naar eerdere aspecten en anticipaties naar latere aspecten, waarbij het economische aspect kwalificerend blijft. Het economische aspect kan ook zelf onderwerp zijn van een anticipatie vanuit een eerder aspect of een retrocipatie vanuit een later aspect naar het economische. Het economische is hier niet meer kwalificerend, maar de economische zinkern speelt dan wel degelijk een rol. Dooyeweerd somt ergens een aantal voorbeelden op:

“Ook het begrip economie heeft een analogisch karakter voorzover het buiten de economische wetenschap wordt gehanteerd. Logische denk-economie, technische economie, taal-economie, aesthetische economie, economie in de omgangsvormen, juridische economie, zijn aperte analogieën van het oorspronkelijk economische aspect onzer ervaring.”[85]

We zullen deze voorbeelden (behalve over de economie in de omgangsvormen, waar hij zich verder nergens over uitlaat) één voor één langslopen ter verduidelijking.

Het eerste voorbeeld van het begrip ‘denk-economie’[86] is een logische anticipatie naar het economische aspect. Een andere term hiervoor is analytische economie. We moeten hierbij denken aan wat bekend staat als Occam’s razer, het door Ockham geformuleerde beginsel principia non sunt multiplicande praetter necessitatem, dat “een systematische logische ‘besparing’ in de logische gronden van een betoog eist”.[87] Denk-economie openbaart zich zowel naar haar wet- als subjectzijde, namelijk in het denk-economisch beginsel (denkökonomische Prinzip) en de normatieve denkactiviteit. Dit logisch beginsel mag nooit economisch gekwalificeerd worden opgevat, maar is slechts een verwijzing van waar het in het economische aspect om gaat, namelijk besparing.

Het principe van de technische economie is al eerder ter sprake gekomen. Het gaat hier om het toepassen van economische beginselen om technische vraagstukken op te lossen. De spaarzaamheid komt tot uiting in het beheer en het aanwenden van technische materialen. In primitieve techniek ontbreekt het dan ook aan deze economie.[88]

Ook vanuit de linguïstiek is er een anticipatie op het economische en wel in het begrip ‘taal-economie’, “welke het overtollige in de symbolische beteekening weert”[89]. Er is dus sprake van een economisering in de taal als er met een besparing in symbolen meer mogelijkheid tot uitdrukking van abstracte en meer algemene standen van zaken mogelijk is. We moeten hierbij denken aan het relatief oneconomische gebruik van symbolen in primitieve talen, zoals de gebarentaal waarin elk symbool een zaak aanduidt, en de relatief meer economische talen, zoals talen die gebruik maken van het alfabet.

Vanuit het esthetisch aspect is er een retrocipatie naar het economische in de term ‘esthetische economie’[90]. Het gaat hier om het spaarzaam- en niet overtollig- of overdadig-zijn in kunstuitingen. De zinkern van het esthetische kan niet zuiver worden uitgedrukt zonder er deze economische retrocipatie in te betrekken. Iets is namelijk esthetisch als het harmonisch en niet overtollig is en dus niet strijdig met de esthetische economie: “Aesthetisch zin-ledig is het aesthetisch-overtollige, het ‘er te dik opleggen’, dat in een harmonische soberheid of spaarzaamheid behoort te worden afgeweerd, zal de harmonie niet worden verstoord”.

Ook de juridische wetskring is noodzakelijk een economische analogie[91], want de zinkern ‘vergelding’ is een abstractie, waarin het gaat om een evenwichtige harmonisering van meerdere belangen. Er is dus sprake van juridische economie, waarbij het juridische beginsel via het esthetische aspect doorwerkt in het economische aspect:

“De vergeldingszin moet zich, zuiver-modaal beschouwd, naar de wetszijde uitdrukken in een evenwichtige harmoniseering van een menigvuldigheid van belangen onder afweer van iedere excessieve, de overige rechtsbelangen schadende actualisering van een bijzonder belang.”

Dit was slechts een niet-uitputtende opsomming die Dooyeweerd zelf geeft, maar zou theoretisch gezien voor elk ander aspect uit te breiden zijn.

5.4. Het economische in de werkelijkheidssamenhang

Zoals gezegd, is er een samenhang tussen de verschillende aspecten van de werkelijkheid. Eerder is reeds duidelijk gemaakt dat het economische aspect gefundeerd is in het sociale en economische activiteit sociale interactie veronderstelt. Ook de anticipaties en retrocipaties vanuit en naar het economische wijzen op een samenhang in de werkelijkheid, die volgens Dooyeweerd onverbrekelijk is:

“De plaats, die het economische aspect naar zijn algemeene geaardheid in de orde der verschillende aspecten inneemt, drukt zich uit in zijn bijzondere (zgn. modale) structuur, waarin zich tegelijk de onherleidbare eigen-aard van het economisch leven en zijn onverbrekelijke samenhang met alle andere aspecten der werkelijkheid uitdrukken.”[92]

Het ingevoegd-zijn van het economische aspect tussen het sociale en esthetische, juridische, ethische en pistische aspect en hun onverbrekelijke samenhang werpt een nieuw licht op de ‘waarde-afwegende besparing’ door het economisch subject. Het economische aspect, gefundeerd in het sociale, moet – met een term die al eerder gevallen is – idealiter ontsloten worden richting latere aspecten. In ‘gesloten toestand’ “openbaart zich het aspect nog alleen in zijn innerlijke samenhang met de vroegere aspecten”, maar in het ontsluitingsproces “beginnen zich de innerlijke verbanden met de latere aspecten der werkelijkheid te onthullen”[93], aldus Dooyeweerd. Een economisch aspect in ontsloten toestand verdiept zich dus ook in de latere normatieve aspecten.

De diverse economische ontsluitingsmogelijkheden richting deze aspecten kleuren de economische waardering verder in. Een ontsluiting richting het esthetische aspect zou kunnen liggen in een streven naar harmonisch evenwicht, bijvoorbeeld tussen vraag en aanbod, koper en verkoper. Ontsluiting richting het juridische aspect ligt in de vergelding, mogelijk in het herstellen van economische verhoudingen en rechtvaardigheid. Naar het ethische (morele) aspect is er een ontsluiting denkbaar richting de naastenliefde en barmhartigheid. Het pistische aspect tenslotte en de daarmee samenhangende mogelijke ‘grondmotieven’ zijn de voornaamste richtinggevers in het ontsluitingsproces. Diverse grondmotieven van het denken hebben in de geschiedenis een rol gespeeld, maar voor Dooyeweerd was alleen het – zijns inziens alleen consistente – bijbelse grondmotief, gekenmerkt door de grondwoorden ‘schepping, zonde en verlossing’, een drijvende kracht.

Deze verdieping maakt dat het economisch handelen wordt gezien als ingebed in een breder cultureel patroon en geleid door grondmotieven als richtlijnen en oriëntatiekaders voor het denken en handelen. Dooyeweerds inhoudelijke of zelfs ethische invulling van het economische denken is te verklaren vanuit deze gedachte. Hoewel hij dit zelf niet doet, zou de economische ‘waarde-afwegende besparing’ normatief ingevuld kunnen worden met bijbelse ideeën als het rentmeesterschap over de geschapen werkelijkheid, de cultuuropdracht de aarde te bewerken en te onderhouden en het liefhebben van de naaste. Het economische aspect wordt op deze wijze, geleid door het bijbels grondmotief, ontsloten richting en in verband gebracht met latere aspecten.


6. Het tijdsaspect van de economie

Het begrip ‘tijd’ is tot dusver in deze thesis niet expliciet aan bod gekomen. Hoewel tijd een belangrijke plaats inneemt in onze werkelijkheid, is er binnen aanhangers van De Wijsbegeerte der Wetsidee geen overeenstemming over wélke plaats dat is. Sommigen hebben de tijd als modaal aspect willen onderscheiden, Dooyeweerd zelf houdt vast aan het idee van een kosmische (universele) tijd. Kosmisch, omdat de tijd de hele werkelijkheid in al haar facetten doortrekt. Zo hebben ook alle modale aspecten een tijdskarakter; de kosmische tijd drukt zich uit in de diverse tijdsaspecten.[94]

Eerder is al aangehaald dat de volgorde van modale aspecten te maken heeft met ‘de tijdsorde der kosmische wet’ en in een kosmisch vroeger en later is samengevoegd. De tijdsorde vormt de wetszijde van de kosmische tijd en bepaalt dat economisch gekwalificeerde objecten of handelingen ook in tijd moeten worden voorafgegaan door vroegere aspecten. Een economische handeling als een transactie veronderstelt sociale individuen, die op hun beurt een taal beheersen om te kunnen communiceren, enzovoorts. Toch is het onjuist te concluderen dat het ‘ding’ een som van zijn functies en de tijd is: de tijd voegt zich niet bij de aspecten, maar zij zelf hebben een tijdelijk karakter.[95] In de subjectzijde van de kosmische tijdsorde staat de tijdsduur voor het individu centraal. Ook economische tijdsduur is mogelijk, bijvoorbeeld in productie- en consumptietijd.[96]

Wat betreft het tijdskarakter van het economische aspect zélf manifesteert de tijd zich volgens Dooyeweerd met name in de waardering van goederen en diensten. Deze waardering van economische objecten veronderstelt een relatieve schaarste van dienstige goederen en een uitsparen van overtollige offers om deze te verkrijgen. Hij schrijft:

“Zoo berust het geheele economisch renteverschijnsel op een hoogere economische waardering van de onmiddellijke boven de toekomstige dienstigheid van gelijke economische goederen, resp. van de abstracte geldswaarde, waarvoor wij ze ons kunnen verschaffen.”[97]

Dooyeweerd ziet dit samengevat in de uitspraak van de zakenman: time is money. De economische tijdsorde is niet slechts een empirisch waarneembaar fenomeen, maar tevens een normatief afwegen van het verstrijken van tijd. Zo kan de norm van spaartijd worden overtreden als geld wordt achtergehouden en niet solide wordt belegd.[98] De economische fenomenen van rente op basis van hogere waardering van huidige dan toekomstige goederen, het onderscheid tussen lonen op basis van tijd en stukwerk, het onderscheid tussen vast en liquide kapitaal en uitdrukkingen als ‘toekomstige markten’ en ‘verdisconteerde rentevoet’ maken duidelijk dat er sprake is van een economische tijdsorde.[99]

Ook in de historische ontwikkeling van de tijd ziet Dooyeweerd een verandering in economische waardering. Deze verdiept zich namelijk op een hoger cultuurpeil, want waar op het primitieve cultuurpeil de economische waardering nog erg blijft hangen aan de stoffelijke en zintuiglijk waarneembare ‘natuur-dingen’ krijgen in de voort-schrijdende historische ontwikkeling tal van geestelijke (door een geestelijke functie gekwalificeerde) goederen economische waarde.[100]

Toch moeten de bovengenoemde ideeën over tijd vanuit de huidige economische ontwikkelingen deels worden gerelativeerd. We willen dit kort aanstippen. In een globaliserende economie met een voortgaande (technologische) ontwikkeling van productieprocessen, transportmodi en communicatie verandert de rol van de factor tijd. Niet alleen neemt de tijd van productie, transport en communicatie voortdurend af, we zouden zelfs kunnen zeggen dat de zon in de economische ruimte door globalisering nooit meer ondergaat. Hoewel tijd geld blijft en daarom een economische factor zal blijven, bijvoorbeeld in het renteverschijnsel, zal het normatieve afwegen ervan een minder grote plaats gaan innemen.


7. Belang voor de economische wetenschap

In een lezing ‘Het wetsbegrip in de economie’ komt Dooyeweerd met drie inzichten, waar de economische theorie lering uit kan trekken:

“[Ten eerste moet] voor ogen worden gehouden, dat een zuiver economische werkelijkheid niet bestaat (…). In de tweede plaats moet in de economische wetenschap profijt worden getrokken van het inzicht, dat de Wijsbegeerte der Wetsidee heeft geopend in de structuur der subject-object relatie. (…) In de derde plaats moet in de economische theorie profijt worden getrokken van het inzicht, dat de Wijsbegeerte der Wetsidee heeft geopend in de individualiteits-structuren der samenleving.”[101]

Hiermee is een begin gemaakt met het derde deel van de aan het begin van deze thesis geschetste probleemstelling. Deze vroeg impliciet naar het belang van Dooyeweerds spreken over het economische voor de economische wetenschap. We kunnen deze vraag beantwoorden met zeven adviezen. De eerste twee adviezen uit het citaat worden hier onder advies één behandeld, de derde over de ‘individualiteits-structuren der samenleving’ valt buiten ons onderzoek.

Advies 1: De zuiver economische werkelijkheid bestaat niet. Uit hoofdstuk 2 werd duidelijk dat het economische een zijde of modaal aspect van de werkelijkheid is, die zich in de naïeve ervaring aan ons toont. Een abstractie van het economische in deze werkelijkheid roept een Gegenstand op, die duidelijk maakt dat het economische betrokken is op alle andere werkelijkheidsaspecten, die tezamen een geschapen zin-totaliteit vormen. Het economische handelen heeft dus slechts betrekking op het economische aspect van dit handelen en het economische object is slechts bestaanbaar in relatie tot de subjectief economische waardering. Een beschrijving of zelfs verklaring van de werkelijkheid in economische termen is te allen tijde een abstractie of reductie.

Advies 2: Er is ruimte voor een economische wetenschap. Hoofdstuk 2 liet bovendien zien dat er in het economische aspect aanleiding ligt voor een economische wetenschap. In deze onherleidbare, soevereine kring kan de empirische werkelijkheid onder het economische aspect onderzocht worden. Hoofdstuk 4 maakte duidelijk dat deze wetenschap niet slechts empirisch van aard dient te zijn, maar normatief economische beginselen vanuit het spaarzaamheidbeginsel moet formuleren.

Advies 3: Het economische is noodzakelijk gefundeerd in het sociale. Uit de in hoofdstuk 2 geformuleerde aspectenleer werd duidelijk dat het economische in de kosmische tijdsvolgorde volgt op het sociale aspect en zodoende in het sociale gefundeerd is. Dat conventionele economie alleen in ontwikkelde beschavingen voorkomt, maakt dit duidelijk. De waardering van economische goederen komt pas tot stand door omgang en verkeer tussen economische subjecten en zodoende kan het economische vraagstuk niet het probleem van een geïsoleerd individu zijn.

Advies 4: De zinkern van het economische is waarden-vereffenend sparen. Hoofdstuk 3 liet zien dat economie als wetenschap kan worden gedefinieerd als waarden-vereffenend sparen. Deze definiëring legt de nadruk op de spaarzame, beherende houding die het economische subject zou moeten innemen ten opzichte van behoeftes naar rangorde van dringendheid en schaarste of uitputting. Economie draait niet alleen om een beschrijving van een gemeenschappelijke vorm van handelen, maar zou zich er toe moeten verplichten inhoudelijk en normatief van aard te zijn.

Advies 5: Economische wetten zijn normatieve beginselen. In hoofdstuk 4 werd het karakter van wetten in de economische wetskring behandeld en bleek dat deze normatief en niet natuurwettelijk van aard zijn. Het norm-karakter van economische wetten maakt dat we kunnen spreken over economisch en oneconomisch gedrag en niet slechts empirische uitspraken kunnen doen over economische handelingen. Positief econo-mische wetten dienen op basis van de economische zinkern te worden geformuleerd.

Advies 6: Economische beginselen ook buiten de economische wetenschap. Hoofdstuk 5 maakte duidelijk dat ook buiten de economische wetenschap haar zinkern van toepassing kan zijn. Enerzijds wijzen alle niet-economische werkelijkheidsaspecten vooruit of terug naar het economische aspect, anderzijds zijn begrippen uit andere vakgebieden binnen het economische toepasbaar. Het economische aspect zelf is funderend voor het esthetische, ethische en pistische aspect en kan zich richting deze aspecten ontsluiten. Voor alle dwarsverbindingen tussen vakwetenschappen, waarbij het economische is betrokken, blijft haar zinkern van spaarzaamheid van toepassing.

Advies 7: De economische tijdsorde is een normatief afwegen. Uit hoofdstuk 6 bleek dat er een specifiek economische tijdsorde kan worden onderscheiden, die het normatieve time is money hanteert voor economische waardering. De econoom dient het verstrijken van tijd te betrekken in het waarderen van economische objecten en handelingen.

Naast deze adviezen heeft Dooyeweerd zelf ook nog een opdracht voor de vakwetenschappen geformuleerd. Zij moeten zijns inziens namelijk de zinsamenhang tussen de wetskringen in rekening stellen, een wets- en subjectbegrip hanteren, de soevereiniteit in eigen kring afbakenen en onderzoeken of het gehanteerde functiebegrip toereikend is zonder rekenschap te geven van de individuele structuren daarbinnen. Allemaal zaken die de revue zijn gepasseerd. Belangrijker nog is zijn oproep tot waarheidsvinding: “Zij moeten zich voor alles rekenschap geven van den zin der door haar gehanteerde begrippen en van het criterium der waarheid.”[102]


8. Samenvatting en conclusies

8.1. Samenvatting

Deze thesis ging over de (rechts)filosoof Dooyeweerd en zijn schrijven over de economische wetenschap. Zijn schriftuurlijke visie op het economische in het geheel van de werkelijkheid, ‘geleid door het het grondmotief der Woord-openbaring’, zou zijns inziens standen van zaken aan het licht kunnen brengen die in de gangbare economie zijn verwaarloosd. Het economische aspect kan in zijn onherleidbaarheid, soevereiniteit in eigen kring en samenhang met andere aspecten een nieuw licht werpen op discussiepunten binnen de economische wetenschap. De vraag die centraal stond is: ‘wat is de plaats, inhoud en betekenis van het economische aspect in Dooyeweerds Wijsbegeerte der Wetsidee?’. Deze drie onderdelen kunnen we nu samenvatten.

Wat betreft plaats zagen we dat het economische aspect door Dooyeweerd wordt onderscheiden als aspect van de werkelijkheid, zoals die zich naïef aan ons toont. Het economische is een gezichtspunt om naar de werkelijkheid te kijken. Pas in het wetenschappelijk denken wordt echter het economische aspect uit de werkelijkheid, die altijd een zintotaliteit van alle naar elkaar verwijzende aspecten tezamen is, gelicht. Met het gegeven dat het economische een aspect is, vormt zij een onherleidbare en soevereine kring en is economische wetenschap mogelijk. Voorop blijft staan dat een reductie van de werkelijkheid in economische termen onvolledig is. Belangrijk is dat het economische aspect in de orde van aspecten – Dooyeweerd onderscheidt nog veertien anderen – volgt op het sociale en er zodoende noodzakelijk in gefundeerd is. Dit impliceert dat de sociale werkelijkheid zich vanuit puur economisch oogpunt niet laat verstaan en de sociologie als totaalwetenschap nodig heeft. Het economische staat zoals gezegd niet op zichzelf, maar te midden van de andere werkelijkheidsaspecten. Zodoende zijn er terug- en heenwijzingen, retrocipaties en anticipaties vanuit en naar het economische aspect mogelijk. Dit verklaart het wederzijds gebruik van grondbegrippen in verschillende wetenschapsgebieden. Belangrijke analogische verwijzingen naar het economische zijn de logische denkeconomie, technische economie, taaleconomie, esthetische economie en juridische economie. Het economische aspect worden verder ingekleurd door een ontsluiting richting de latere aspecten, geleid door een al dan niet bijbels grondmotief van het denken.

Wat betreft inhoud zagen we dat Dooyeweerd het kernachtige van het economische, haar zinkern, definieert als waarden-vereffenend sparen. De wetenschappelijke betekenis van economie is zijn inziens “the sparing or frugal mode of administering scarce goods, implying an alternative choice of their destination with regard to the satisfaction of different human needs”. Deze definitie wijkt af van anderen, omdat zij niet slechts concentreert op gemeenschappelijke vormen van handelen, maar inhoudelijk actief beheer en een spaarzame houding benadrukt en daarmee uitspraken over economisch of oneconomisch gedrag kan doen. Het economische heeft een eigen wetskring te midden van alle wetten en wetmatigheden die God aan de werkelijkheid heeft opgelegd. Economische wetten hebben een normatief en niet natuurwettelijk karakter, omdat het economische volgt na het logisch aspect. Het economische subject is aan economische wetten onderworpen en behoort zich ernaar te gedragen, wil hij of zij niet onlogisch en oneconomisch handelen. De economische wetenschap is dus niet slechts een empirische aangelegenheid, maar normatief. Vanuit het spaarzaamheidbeginsel dienen positieve economische wetten te worden geformuleerd. Ook de economische tijdsorde is normatief en roept de econoom met het beginsel time is money op economische tijd te betrekken in economische waardering.

De betekenis voor de economische wetenschap kon aan de hand van deze bevindingen worden geformuleerd in zeven adviezen: 1) De zuiver economische werkelijkheid bestaat niet, 2) Er is ruimte voor een economische wetenschap, 3) Het economische is noodzakelijk gefundeerd in het sociale, 4) De zinkern van het economische is waarden-vereffenend sparen, 5) Economische wetten zijn normatieve beginselen, 6) Economische beginselen [functioneren] ook buiten de economische wetenschap, 7) De economische tijdsorde is een normatief afwegen. We sloten af met Dooyeweerds oproep aan de vakwetenschappen om “voor alles rekenschap geven van den zin der door haar gehanteerde begrippen en van het criterium der waarheid”.

8.2. Conclusies

In deze thesis is duidelijk geworden dat er in Dooyeweerds Wijsbegeerte der Wetsidee genoeg stof te vinden is om de economische wetenschap naar haar doelstellingen en motivaties te bevragen en zonodig aan te vullen of te corrigeren. Het is mogelijk gebleken vanuit de plaats en inhoud van het economische aspect tot betekenis in de vorm van concrete adviezen voor de economische wetenschap te komen. Het zou de moeite waard zijn het hedendaagse economische denken met de inhoud van deze thesis te vergelijken. Ook het achterwege gelaten onderdeel ‘individualiteits-structuren der samenleving’ met betrekking tot het economische zou in een vervolgonderzoek kunnen worden betrokken.


Literatuur

Basden, A., ‘The Dooyeweerd Pages – The Economic Aspect’ (2004), in http://www.dooy.salford.ac.uk/economic.html (bezocht augustus 2008)

Brue, S.L., The Evolution of Economic Thought. Ohio, 2000

Dooyeweerd, H., ‘Medezeggenschap der arbeiders in de bedrijven’, in A. Anema e.a. (red.), Antirevolutionaire staatkunde 1. Kampen, 1924-1925

Dooyeweerd, H., ‘Tweeërlei kritiek. Om de principieele zijde van het vraagstuk der medezeggenschap’, in A. Anema e.a. (red.), Antirevolutionaire staatkunde 2. Kampen, 1926

Dooyeweerd, H., De Crisis in de Humanistische Staatsleer in het licht eener calvinistische kosmologie en kennistheorie. Amsterdam, 1931

Dooyeweerd, H., De Wijsbegeerte der Wetsidee: De wetsidee als grondlegging der wijsbegeerte, Bk. 1. Amsterdam, 1935 [WdW I]

Dooyeweerd, H., De Wijsbegeerte der Wetsidee: De functionele zin-structuur der tijdelijke werkelijkheid en het probleem der kennis, Bk. 2. Amsterdam, 1935 [WdW II]

Dooyeweerd, H., De Wijsbegeerte der Wetsidee: De individualiteits-structuren der tijdelijke werkelijkheid, Bk. 3. Amsterdam, 1936 [WdW III]

Dooyeweerd, H., ‘Het tijdsprobleem in de Wijsbegeerte der Wetsidee’, Philosophia Reformata 5-1 (1940)

Dooyeweerd, H., ‘Het wetsbegrip in de economie’, Mededelingen van de Vereniging voor Calvinistische Wijsbegeerte (augustus 1946)

Dooyeweerd, H., ‘Inleiding tot een transcendentale kritiek van het wijsgerig denken’ (1948), in M.E. Verburg, Herman Dooyeweerd. Grenzen van het theoretisch denken. Amsterdam, z.j.

Dooyeweerd, H., ‘De sociologische verhouding tussen recht en economie en het probleem van het zgn. ‘economisch recht’’, in H. Dooyeweerd e.a. (red.), Opstellen op het gebied van recht, staat en maatschappij. Amsterdam, 1949

Dooyeweerd, H., A New Critique of Theoretical Thought: The Necessary Presuppositions, Vol. 1. Amsterdam/Philadelphia, 1953 [NC I]

Dooyeweerd, H., ‘De analogische grondbegrippen der vakwetenschappen en hun betrekking tot de structuur van den menselijken ervaringshorizon’, in Mededelingen der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (deel 17, afdeling letterkunde). Amsterdam, 1954

Dooyeweerd, H., A New Critique of Theoretical Thought: The General Theory of the Modal Spheres, Vol. 2. Amsterdam/Philadelphia, 1955 [NC II]

Dooyeweerd, H., Verkenningen in de wijsbegeerte, de sociologie en de rechtsgeschiedenis. Amsterdam, 1962

Dooyeweerd, H., Vernieuwing en Bezinning om het reformatorisch grondmotief. Zutphen, 1963

Dooyeweerd, H., Dictaat Inleiding Encyclopaedie der rechtswetenschap, druk: J.A. Hanenburg, Amsterdam: z.j. (niet-gepubliceerd en aanwezig in het archief van Dooyeweerd: Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme (1800-heden) aan de Vrije Universiteit Amsterdam, Lade 41)

Dooyeweerd, H., Encyclopaedie der rechtswetenschap: Thetisch gedeelte, Dl. 2. Amsterdam, z.j.

Dooyeweerd, H., Het leerstuk der souvereiniteit in eigen kring in zijn toepassing op een concrete punt in het vraagstuk der z.g. Medezeggenschap der arbeiders in de bedrijven. Z.u., z.j.

Eikema Hommes, H. van, Inleiding tot de wijsbegeerte van Herman Dooyeweerd. ’s-Gravenhage, 1982

Goudzwaard, B., ‘De economische theorie en de normatieve aspecten der werkelijkheid’, in W.K. van Dijk, J. Stellingwerff e.a. (red.),

Perspectief.Feestbundel van de jongeren bij het vijfentwintig jarig bestaan van de vereniging voor calvinistische wijsbegeerte. Kampen, 1961

Haan, R.L., An inquiry into the monetary aspects of a link between special drawings rights and development finance. Leiden, 1971

Haan, R.L., ‘Wegen in de economische wetenschap (II)’, Philosophia Reformata, 39-1 (1974)

Haan, R.L., Economie in principe en praktijk. Groningen, 1975

Hitchcock, C., Contemporary Debates in Philosophy of Science. Malden/Oxford/Carlton, 2004

Katz, M.L. & H.S. Rosen, Microeconomics. New York, 1998

Kee, B., ‘Filosofie van de economie’, in R. van Woudenberg (red.), Kennis en werkelijkheid. Tweede inleiding tot een christelijke filosofie. Amsterdam/Kampen, 1996

Kooy, T.P. van der, De zin van het economische. Kampen, 1950

Robbins, L., An Essay on the Nature and Significance of Economic Science.  London: 1945

Samuelson, P.A. & W.D. Nordhaus, Economics. New York, 2001

Sienra, A.G. de la, ‘The modal laws of economics’, Philosophia Reformata, 63-2 (1998)

Spier, J.M., Inleiding in de Wijsbegeerte der Wetsidee. Kampen, 1946

Spier, J.M., Tijd en eeuwigheid. Kampen, 1953

Stanford Encyclopedia of Philosophy, ‘Philosophy of Economics’ (2008),  plato.stanford.edu/entries/economics (bezocht augustus 2008)

Stellingwerff, J., Geschiedenis van de Reformatorische Wijsbegeerte. Z.u., 2006

Woudenberg, R. van, Gelovend denken. Inleiding tot een christelijke filosofie, Amsterdam, 2004


Eindnoten

[1] ‘(De) Wijsbegeerte der Wetsidee’ wordt zowel cursief als niet-cursief aangehaald in deze thesis. In het eerste geval wordt het zo genoemde boek bedoeld, in het tweede geval Dooyeweerds ‘filosofisch systeem’. Bij het spreken over dit laatste kan de naam van D.H.TH. Vollenhoven (1892-1978) eigenlijk niet onvermeld blijven. Hij was niet alleen van grote invloed op Dooyeweerd, maar ook medeoprichter van deze wijsbegeerte; J. Stellingwerff, Geschiedenis van de Reformatorische Wijsbegeerte (z.u.: 2006). Stichting Reformatorische Wijsbegeerte

[2][2] H. Dooyeweerd, ‘Het wetsbegrip in de economie’, Mededelingen van de Vereniging voor Calvinistische Wijsbegeerte (augustus 1946). p. 3. (Dooyeweerds veelvuldig cursiveren van kernbegrippen volg ik in deze thesis om de leesbaarheid te bevorderen niet.)

[3] C. Hitchcock, Contemporary Debates in Philosophy of Science (Malden/Oxford/Carlton: 2004). h. 4, ‘Are there laws in the social sciences?’

[4] Stanford Encyclopedia of Philosophy, ‘Philosophy of Economics’ (2008), in plato.stanford.edu/entries/economics (bezocht augustus 2008)

[5] H. Dooyeweerd, De Wijsbegeerte der Wetsidee (Amsterdam: 1935-1936) [WdW]

[6] H. Dooyeweerd, A New Critique of Theoretical Thought (Amsterdam/Philadelphia: 1953-1958) [NC]

[7] R.L. Haan, Economie in principe en praktijk (Groningen: 1975). p. 19

[8] Dooyeweerd, ‘Het wetsbegrip in de economie’. p. 3

[9] WdW I. p. 46

[10] WdW I. p. 5

[11] Het aantal en vooral de benamingen van de aspecten wijkt in (boeken over) De Wijsbegeerte der Wetsidee nogal af. In het beginstadium wordt het bewegingaspect nog vereenzelvigd met of geschaard onder het fysische. Wij gaan uit van deze vijftien onderscheiden aspecten aan, alternatieve benamingen staan tussen haakjes.

[12] WdW I. p. 473

[13] WdW I. p. 5

[14] WdW III. p. 37

[15] R. van Woudenberg, Gelovend denken. Inleiding tot een christelijke filosofie (Amsterdam: 2004). p. 70

[16] S.L. Brue, The Evolution of Economic Thought (Ohio: 2000). p. 189

[17] Van Woudenberg, Gelovend denken. p. 74. Vgl. WdW I. p. 66

[18] H. Dooyeweerd, ‘De sociologische verhouding tussen recht en economie en het probleem van het zgn. ‘economisch recht’’, in H. Dooyeweerd e.a. (red.), Opstellen op het gebied van recht, staat en maatschappij (Amsterdam: 1949). p. 221

[19] WdW I. p. 36-37

[20] WdW I. p. 47

[21] H. Dooyeweerd, ‘Inleiding tot een transcendentale kritiek van het wijsgerig denken’, in M.E. Verburg, Herman Dooyeweerd. Grenzen van het theoretisch denken (Amsterdam: z.j.). p. 111

[22] WdW I. p. 48

[23] Dooyeweerd, ‘Inleiding tot een transcendentale kritiek van het wijsgerig denken’. p. 112

[24] WdW I. p. 47

[25] WdW I. p. 512

[26] WdW I. p. 519, NC I. p. 555. De “classical doctrine (…) bases are personal liberty, private property, individual initiative, private enterprise, and minimal government interference”, volgens Brue, The Evolution of Economic Thought. p. 53

[27] WdW II. p. 49

[28] J.M. Spier, Inleiding in de Wijsbegeerte der Wetsidee (Kampen: 1946). p. 86

[29] B. Kee, ‘Filosofie van de economie’, in R. van Woudenberg (red.), Kennis en werkelijkheid. Tweede inleiding tot een christelijke filosofie (Amsterdam/Kampen: 1996). p. 279

[30] NC II. p. 67

[31] Dooyeweerd, ‘De sociologische verhouding tussen recht en economie’. p. 233

[32] T.P. van der Kooy, De zin van het economische (Kampen: 1950). p. 27

[33] A.G. de la Sienra, ‘The modal laws of economics’, Philosophia Reformata 63-2 (1998). p. 182

[34] Kee, ‘Filosofie van de economie’. p. 277

[35] NC II. p. 66

[36] H. Dooyeweerd, Encyclopaedie der rechtswetenschap: Thetisch gedeelte, Dl. 2 (Amsterdam: z.j.). p. 16-17

[37] Spier, Inleiding in de Wijsbegeerte der Wetsidee. p. 86

[38] NC II. p. 66

[39] Kee, ‘Filosofie van de economie’. p. 279

[40] Spier, Inleiding in de Wijsbegeerte der Wetsidee. p. 86

[41] Dooyeweerd, Encyclopaedie der rechtswetenschap. p. 17

[42] NC II. p. 122

[43] NC II. p. 66

[44] A. Basden, ‘The Dooyeweerd Pages – The Economic Aspect’ (2004), in http://www.dooy.salford.ac.uk/economic.html (bezocht augustus 2008), Brue, The Evolution of Economic Thought. p. 3

[45] Kee, ‘Filosofie van de economie’. p. 279

[46] NC II. p. 67

[47] Dooyeweerd, Encyclopaedie der rechtswetenschap. p. 16-17

[48] De la Sienra, ‘The modal laws of economics’. p. 183

[49] Kee, ‘Filosofie van de economie’. p. 278

[50] L. Robbins, An Essay on the Nature and Significance of Economic Science (London: 1945). p. 12

[51] M.L. Katz & H.S. Rosen, Microeconomics (New York: 1998). p. 2, P.A. Samuelson & W.D. Nordhaus, Economics (New York: 2001). p. 4

[52] B. Goudzwaard, ‘De economische theorie en de normatieve aspecten der werkelijkheid’, in W.K. van Dijk, J. Stellingwerff e.a. (red.), Perspectief. Feestbundel van de jongeren bij het vijfentwintig jarig bestaan van de vereniging voor calvinistische wijsbegeerte (Kampen: 1961). p. 312

[53] NC II. p. 344-345

[54] Basden, ‘The Dooyeweerd Pages – The Economic Aspect’

[55] WdW I. p. 57-58

[56] WdW I. p. 70

[57] WdW I. p. 67

[58] WdW I. p. 59, 61

[59] H. Dooyeweerd, Dictaat Inleiding Encyclopaedie der rechtswetenschap (Amsterdam: z.j). p. 49

[60] R.L. Haan, ‘Wegen in de economische wetenschap (II)’, Philosophia Reformata, 39-1 (1974). p. 3

[61] R.L. Haan, An inquiry into the monetary aspects of a link between special drawings rights and

development finance (Leiden: 1971). p. 160. Vgl. NC II. p. 156

[62] Dooyeweerd, ‘De sociologische verhouding tussen recht en economie’. p. 257

[63] Dooyeweerd, ‘Het wetsbegrip in de economie’. 3

[64] Haan, An inquiry into the monetary aspects. p. 23

[65] Dooyeweerd, ‘Het wetsbegrip in de economie’. p. 2-3

[66] NC II. p. 66n. Vgl. Haan, ‘Wegen in de economische wetenschap (II)’. p. 4

[67] H. Dooyeweerd, Dictaat Inleiding Encyclopaedie der rechtswetenschap (Amsterdam: z.j.). p. 9

[68] H. Dooyeweerd, ‘Medezeggenschap der arbeiders in de bedrijven’, in A. Anema e.a. (red.), Antirevolutionaire staatkunde 1 (Kampen: 1924-1925). p. 293. Andere uitgave: Het leerstuk der souvereiniteit in eigen kring in zijn toepassing op een concrete punt in het vraagstuk der z.g. Medezeggenschap der arbeiders in de bedrijven (Z.u.: z.j.)

[69] H. Dooyeweerd, ‘Tweeërlei kritiek. Om de principieele zijde van het vraagstuk der medezeggenschap, in A. Anema e.a. (red.), Antirevolutionaire staatkunde 2 (Kampen: 1926). p. 6

[70] Dooyeweerd, ‘Het wetsbegrip in de economie’. p. 2

[71] Dooyeweerd, ‘Het wetsbegrip in de economie’. p. 2

[72] WdW II. p. 294-296

[73] WdW II. p. 295

[74] Dooyeweerd schrijft in Verkenningen in de wijsbegeerte, de sociologie en de rechtsgeschiedenis (Amsterdam: 1962) uitgebreider over de plaats van het individu en de gemeenschap in het economische samenleven de eeuwen door.

[75] Dooyeweerd, ‘Het wetsbegrip in de economie’. p. 2

[76] WdW II. p. 54

[77] WdW II. p. 56-57

[78] Haan, An inquiry into the monetary aspects. p. 22

[79] WdW II. p. 56

[80] H. Dooyeweerd, ‘De analogische grondbegrippen der vakwetenschappen en hun betrekking tot de structuur van den menselijken ervaringshorizon’, in Mededelingen der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, dl. 17 (Amsterdam: 1954). p. 173, 177. Vgl. NC II. p. 64 over economische ruimte.

[81] WdW II. p. 124

[82] Haan, An inquiry into the monetary aspects. p. 19

[83] Spier, Inleiding in de Wijsbegeerte der Wetsidee. p. 86

[84] WdW II. p. 216-218

[85] Dooyeweerd, ‘De analogische grondbegrippen der vakwetenschappen’. p. 179

[86] WdW II. p. 84, 118-121, NC II. p. 66, 122-126

[87] H. van Eikema Hommes, Inleiding tot de wijsbegeerte van Herman Dooyeweerd (‘s-Gravenhage: 1982). p. 51

[88] NC II. p. 67

[89] WdW II. p. 84, NC II. p. 126-127

[90] WdW II. p. 86, NC II. p. 127-129

[91] WdW II. p. 88, NC II. p. 129-130, H. Dooyeweerd, De Crisis in de Humanistische Staatsleer in het licht eener Calvinistische kosmologie en kennistheorie (Amsterdam: 1931). p. 187-188. Vgl. het probleem van het ‘economisch recht’ in Dooyeweerd, ‘De sociologische verhouding tussen recht en economie’.

[92] Dooyeweerd, ‘Het wetsbegrip in de economie’. p. 2

[93] H. Dooyeweerd, Vernieuwing en Bezinning om het reformatorisch grondmotief (Zutphen: 1963). p. 94, 95

[94] WdW I. p. 38, 66

[95] WdW III. p. 44

[96] J.M. Spier, Tijd en eeuwigheid (Kampen: 1953). p. 94

[97] Dooyeweerd, Dictaat Inleiding Encyclopaedie der rechtswetenschap. p. 12

[98] Spier, Tijd en eeuwigheid. p. 93

[99] H. Dooyeweerd, ‘Het tijdsprobleem in de Wijsbegeerte der Wetsidee’, Philosophia Reformata 5-1 (1940). p. 173

[100] Dooyeweerd, Encyclopaedie der rechtswetenschap. p. 60

[101] Dooyeweerd, ‘Het wetsbegrip in de economie’. p. 3

[102] WdW I. p. 530


Download

Het economische aspect in Dooyeweerds Wijsbegeerte der Wetsidee (pdf)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s