De filosofie van het hart. Scepticisme en fideïsme bij Pascal

Pascal

Pascal

“Le coeur a ses raisons, que la raison ne connaît point”[1], Pascal, Pensées

1. Inleiding

Blaise Pascal, door zijn tijdgenoot Pierre Bayle nog “l’un des plus sublimes Esprits du monde”[2] genoemd, komt er in veel filosofische overzichtswerken bekaaid van af. Dit is enigszins begrijpelijk gezien zijn korte leven, het op het eerste gezicht weinig filosofische gehalte van zijn geschriften en het niet voltooien van zijn magnum opus, dat hij in de privésfeer eens heeft aangeduid als ‘een apologie van de christelijke religie’. Een voor historici wellicht irrelevante vraag, die bij het lezen van deze Pensées – zoals zijn apologie later is gaan heten – soms opkomt, is hoe de geschiedenis van het filosofisch en theologisch denken zich zou hebben ontwikkeld als dit werk wél zou zijn voltooid. Er is aanleiding tot deze nieuwsgierigheid, want Anthony McKenna bijvoorbeeld laat in zijn De Pascal à Voltaire zien dat de invloed van het onvoltooide werk al aanzienlijk was.[3] Paul Hazard op zijn beurt plaatst de Pensées in zijn La Crise de la conscience européenne op één lijn met Spinoza’s Ethica als twee levensconcepties; de eerste als een perfecte beschrijving van de doelen naar een religieus, de tweede naar een filosofisch ideaal.[4]

Biografische noties

Gelet op de vele mysterieuze gedachten die in deze verzameling fragmenten van de Pensées voorkomen en de breedte aan onderwerpen die zij behandelen, spreekt dit boek nog altijd tot de verbeelding. Dit gevoel wordt versterkt door de biografie van Pascal, zoals die is geschreven door zijn zus. Zij schetst hoe Pascal, die “n’eut jamais d’autre Précepteur que Monsieur son pere”[5] en – kennelijk voorbestemd een groot geleerde te worden – zich als een autodidact de klassieke wiskunde en moderne wetenschap eigen maakt, hierin gehinderd door zijn vader die de wiskundige handboeken doelbewust buiten bereik van zijn zoon hield en hem verbood er over te denken en te spreken. Zonder resultaat, want in de vrije uren verdiepte Pascal zich heimelijk in de meetkunde en, juist bezig een stelling te bewijzen, “was hij zo verdiept in wat hij deed, dat het lang duurde voor hij de komst van zijn vader gewaar werd”, die op zijn beurt “zo ontzet was door de grootheid en de macht van dit genie, dat hij hem, zonder iets te zeggen achterliet, en zich begaf naar M. Le Pailleur, zijn intieme vriend, die ook zeer geleerd was. Toen hij daar was aangekomen, bleef hij onbewegelijk en als in vervoering staan”.[6] Deze en vele andere vermeende ‘Pascal-mythen’ maken het moeilijk een realistisch beeld te geven van Pascals biografie en “alle fundamentele twistpunten die de Pascalisanten van oudsher niet in twee, maar in een verscheidenheid van kampen verdeeld hebben gehouden, blijken in de nieuwste literatuur nog onverzwakt aanwezig te zijn”, aldus Dijksterhuis.[7]

Laat ik, de controverses mijdend, toch een poging wagen enkele belangrijke biografische noties aan te geven, die voor het verdere begrip van deze scriptie van belang zijn. Pascal (1623-1662) groeit op in Parijs en maakt zich door privéonderwijs de klassieke en moderne natuur- en wiskunde eigen. Op twaalfjarige leeftijd ontdekt hij zelfstandig de basisbeginselen van de meetkunde en op zijn zestiende publiceert hij reeds een wetenschappelijke bijdrage Essay pour les coniques, over de zogenaamde kegelsnede. Om zijn vaders werk als belastinginner te verlichten, ontwerpt Pascal de eerste mechanische rekenmachine. Hierna stort hij zich op het zoeken naar een verklaring voor de proef van Torricelli, waarbij in een bepaalde configuratie van buizen met kwik schijnbaar – een door Aristoteles voor onmogelijk gehouden – luchtledigheid optrad. Pascal laat in zijn Expériences nouvelles touchant le vide (1647) middels experimenten zien dat dit het geval is en dit vacuüm een meetbare grootheid is. Voortbordurend op deze resultaten verschijnen in de daarop volgende jaren Récit de la grande expérience de l’équilibre des liqueurs en Traitez de l’équilibre des liqueurs et de la pesanteur de l’air, waarin hij een relatie legt tussen vloeistofniveaus en luchtdruk. In 1647 discussieert Pascal met René Descartes over het vacuüm. Tot dan toe had Pascal altijd geloof en wetenschap gescheiden, zoals hem van kind af aan door zijn vader was geleerd: “wat voorwerp is voor het geloof, kan het nimmer zijn voor het verstand”.[8]

Intussen komt Pascal in 1646 in aanraking met het klooster Port-Royal, alwaar de filosofie van het Jansenisme wordt aangehangen. Deze stroming baseerde zich op Cornelis Jansen (1585-1638), een “geestdriftig pleitbezorger van doctrines die hoewel ze ogenschijnlijk met de nieuwe bevindingen van de wetenschap te verenigen waren, de geloofsdaad hoger aansloegen dan rationele gevolgtrekkingen als gids naar de theologische en metafysische waarheid”.[9] Pascal maakt een ‘eerste bekering’ door, verdiept zich in religieuze geschriften van onder meer Augustinus en betwijfelt openlijk of hij zijn wetenschappelijke werkzaamheden nog moet voortzetten. Zeker tot 1653 zal Pascal zich echter nadrukkelijk met wiskunde blijven bezighouden, hoewel zijn gezondheid zwak is en hij een ‘mondaine periode’ doormaakt. Tijdens een diepe religieuze ervaring in 1654, verwoord in het zogenaamde Mémorial, maakt Pascal een ‘tweede bekering’ tot het christelijk geloof door. De tekst, die hij koesterde en na zijn dood ingenaaid in zijn jas werd gevonden, luidt:

VUUR. God van Abraham, God van Isaäk, God van Jacob, niet van de filosofen en geleerden. Zekerheid, zekerheid, besef, vreugde, vrede. God van Christus. Deum meum et deum verstrum. Uw God zal mijn God zijn. Vergeten de wereld en alles, behalve God. Men vindt Hem alleen via de wegen die in het evangelie geleerd worden. Grootheid van de menselijke geest. Rechtvaardige Vader, de wereld heeft U niet erkend, maar ik heb U erkend. Vreugde, vreugde, vreugde, tranen van vreugde. Ik heb mij van hem afgescheiden. Dereliquerunt me fontem aquae vivae. Mijn God, zult u mij verlaten? Moge ik niet voor eeuwig van hem gescheiden worden. Dat is het eeuwige leven: dat ze U, de enige ware God, en Christus, die Gij gezonden hebt, erkennen. Jezus Christus. Jezus Christus. Ik heb me van hem afgescheiden, ben voor hem gevlucht, heb hem verloochend, gekruisigd. Moge ik nooit van hem gescheiden worden. Hem behouden kan men alleen op de manieren die in het evangelie onderricht zullen worden. Totale en zoete verzaking. Etc. Volledige onderwerping aan Christus en aan mijn geestelijke leidsman. Eeuwige vreugde voor één dag van inspanning op aarde. Non obliviscar sermones tuos. Amen.[10]

Na deze bekering begeeft Pascal zich meer en meer in de kringen van Port-Royal en maakt hij kennis met het werk van de scepticus Montaigne (1533-1592). Ter verdediging van het gedachtegoed van Port-Royal, dat onder kerkelijke verdenking kwam te staan, schrijft hij in de lijn van Augustinus’ genadeleer zijn brieven Les provinciales tegen de Jezuïeten. Nog altijd zou hij zich bezighouden met wiskundige vraagstukken en er over publiceren. Na Pascals dood wordt in zijn nalatenschap een grote verzameling fragmenten gevonden voor een apologie van de christelijke godsdienst, waar hij sinds 1657 aan heeft gewerkt en die postuum zijn uitgegeven als de Pensées (1670). Port-Royal had er belang bij het wetenschappelijk werk van zijn beroemde aanhanger Pascal na zijn dood onder de aandacht te brengen, want, zo schrijft Dijksterhuis, “men wilde de atheïsten beschamen door het schouwspel van den eminenten en uiterst kritischen geleerde, wiens intelligentie geen beletsel vormde voor een oprecht geloof”.[11] Twintig jaar naar zijn dood staat Pascal, aldus kenner Jean Mesnard “als einer der bedeutendsten Persönlichkeiten und einer der grössten Denker seiner Zeit bekannt”.[12]

Van scepticisme naar fideïsme

Zijn levensbeschrijving overwegend, is Pascal veelal geplaatst in het kamp van de fideïsten, “een aanduiding voor de visie dat religieuze waarheden slechts door geloof en niet door middel van de rede gekend kunnen worden”.[13] Het fideïsme heeft vroege wortels in het denken van de apostel Paulus, Tertullianus en Augustinus. De eerste sprak in zijn brief aan de Korinthiërs over de gekruisigde Christus als een dwaasheid voor de Grieken, want wat voor de wereld dwaas is, heeft God verkozen om de wijzen te beschamen. Elders spreekt hij over een mysterium dat in alle eeuwen verborgen is geweest, maar nu aan zijn heiligen is geopenbaard. De kerkvader Tertullianus, aan wie het adagium credo quia absurdum, ik geloof het omdat het absurd is, wordt toegeschreven, verwerpt de gehele filosofie. Hij wil niets weten van een christendom dat als wijsgerige theorie wordt gepropageerd en schrijft daarover in De praescriptione haereticorum de bekende woorden:

Wat hebben dan nu Athene en Jeruzalem (met elkaar te maken)? Wat de academie met de gemeente? Wat de ketters met de Christen? Onze instelling is uit de galerij van Salomo. Deze had zelf overgeleverd dat de Heer in eenvoud des harten gezocht moet worden. Na Christus Jezus hebben wij geen nieuwsgierigheid van node, en na het evangelie geen onderzoek. Wanneer wij geloven verlangen wij niets boven het geloven.[14]

Met deze tegenstellingen tussen Jezus Christus en de filosofen, Jeruzalem en Athene en de kerk en de academie is het spanningsveld tussen het christelijk geloof en de filosofische rede, dat al zo oud is als het christendom zélf, geschetst.

Richard Popkin verbindt het fideïsme in zijn The History of Scepticism nadrukkelijk met het scepticisme als hij fideïsten aanduidt als personen “who are sceptics with regard to the possibility of our attaining knowledge by rational means, without our possessing some basic truths known by faith”. Scepticisme definieert hij als “a philosophical view that raises doubts about the adequacy or reliability of the evidence that could be offered to justify any proposition” en de klassieke sceptici “developed arguments to show or suggest that evidence, reasons, or proofs employed as grounds for our various belief were not completely satisfactory”.[15] Maia Neto legt wat betreft Pascal nog duidelijker het verband tussen fideïsme en scepticisme door hem te betrekken in de ‘Christianization of Pyrrhonism’, waarbij de laatste term verwijst naar het klassieke scepticisme en in het bijzonder de scepticus Pyrrho (360-270). Net als Kierkegaard en Shestov zou Pascal geloven “that scepticism can be helpful in Christianity or Judeo-Christianity”.[16]

De vraag is in hoeverre dit alles opgaat voor Pascal. Wat ik in ieder geval met Leszek Kolakowski kan constateren, is dat het zijn tweede bekering is geweest “which turned his mind toward reflections on the fallibility of reason”.[17] In deze scriptie wil ik de vragen naar Pascals scepticisme en fideïsme nader onderzoeken.

2. Probleemstelling en opzet

Sommigen, zoals Nietzsche,[18] beweren dat Pascal zijn wiskundige talent bewust zou hebben geofferd aan God om zich voortaan alleen nog maar te hoeven richten op het heil van zijn ziel en de verdediging van de christelijke godsdienst, maar dit is alleen al gezien de gegeven levensbeschrijving onjuist. In deze scriptie probeer ik de toch wel opvallende wending in het denken van Pascal onder invloed van de gebeurtenissen rond het Mémorial te duiden in termen van het fideïsme en scepticisme. Ik wil daarbij op zoek gaan naar antwoorden op de volgende vragen:

  1. Hoe verhouden geloof, rede en denken zich bij Pascal?
  2. In welke zin is deze verhouding te typeren als scepticisme?
  3. In welke zin is deze verhouding te typeren als fideïsme?
  4. Wat betekent dit alles voor zijn visie op filosofie?

Met betrekking tot de eerste vraag moet op voorhand worden opgemerkt dat deze bemoeilijkt wordt door de terminologie van Pascal. Het zal blijken dat hij begrippen hanteert als ‘denken’, ‘verstand’, ‘rede’, ‘geest’, ‘wil’, ‘gevoel’, ‘hart’ en deze niet strikt definieert. Hoewel ik in deze scriptie consequent de begrippen van Pascal zal volgen, is het een onderliggende taak deze begrippen op te helderen.

Dit onderzoek beperkt zich met name tot de opvattingen zoals Pascal die uiteenzet in zijn Pensées,[19] hoewel uitstapjes naar andere geschriften niet worden vermeden. Wat betreft het scepticisme behandel ik uitsluitend die facetten die betrekking hebben op de verhouding geloof en rede en niet het hele debat tussen het scepticisme en dogmatisme dat Pascal doordenkt.

De opzet van deze scriptie is als volgt. Allereerst zal het denken van Descartes moeten worden geschetst omdat Pascal zich veelvoudig tegen hem afzet (§ 3). Om de overstap te kunnen maken naar de hierboven gegeven onderzoekvragen zal daarna Pascals methode moeten worden omschreven, die al meer ruimte biedt aan de christelijke openbaring (§ 4). Vervolgens wordt definitief de weg ingeslagen naar het scepticisme als ik kijk naar de ruimte die Pascal creëert voor de onwetendheid (§ 5). Hierna richt ik mij meer op het fideïsme en kijk ik waarin Pascals God afwijkt van die ‘der filosofen en geleerden’ (§ 6). Al deze zaken resulteren uiteindelijk in Pascals totaalvisie op het filosoferen, die ik wil aanduiden als de ‘filosofie van het hart’ (§ 7). Tot slot zal ik de antwoorden op de onderzoeksvragen proberen te geven en waar nodig vergelijken met andere opvattingen (§ 8).

3. Descartes en de nieuwe filosofie

Zoals gezegd, dien ik voor een goed begrip van Pascals filosofie allereerst die van Descartes (1596-1650) te verkennen. Want, zoals Leo Sjestov treffend schrijft, “Descartes verpersoonlijkte in zich alles, waartegen Pascal streed”.[20] Hoewel ik in het verdere van deze scriptie een aantal kritieken van Pascal op Descartes behandel, moet dit niet eenzijdig op Descartes worden betrokken, maar vooral op het Cartesianisme als wereldbeschouwing. Een aantal punten waarop Pascal kritiek had, zal men dan ook niet met zoveel woorden in Descartes’ eigen werk terugvinden. Ik let bij de uiteenzetting van Descartes’ denken in het bijzonder op twee aspecten die ook in het denken van Pascal een grote rol spelen, namelijk zijn wiskundig-filosofische methode en de plaats daarin voor God en het godsgeloof.

De mathematisering van het denken

Descartes’ optreden moet geplaatst worden in de natuurfilosofie van de zeventiende eeuw, waarbij filosofie en natuurwetenschap nog samen optrekken in de zoektocht naar de waarheid. Vanuit de gedachte dat de ons omringende werkelijkheid structureel mathematisch van aard is, neemt het experiment, maar vooral de wiskundige denkvorm in deze eeuw een aanzienlijke positie in. Descartes’ standpunt kan men “niet beter omschrijven dan door te zeggen, dat hij, deze gedachte tot haar uiterste consequenties voerend, wiskunde en natuurwetenschap feitelijk vereenzelvigd heeft”.[21] Niet alleen de natuurwetenschap brengt haar kennis op wiskundige wijze voort, ook de filosofie (meta-fysica) wortelt in het mathematische denken. Een belangrijke methodische vondst ligt in de in zijn Regulae ad Directionem Ingennii (1629) uitgewerkte mathesis universalis, die een – voor ons bekende – letteralgebra voorstelt met letters voor onbenoemde getallen en grootheden. Vanuit proposities die gebruik maken van deze ‘variabelen’ kunnen mathematische axioma’s worden afgeleid, die onze kennis vergroten. Hoewel Descartes deze mathematisering van de natuurwetenschap voorstond, heeft hij haar onder invloed van de heersende Scholastische methoden niet veel verder uitgewerkt.

De mechanisering van het wereldbeeld

Zoals Dijksterhuis’ boektitel De mechanisering van het wereldbeeld doet vermoeden, speelt er meer in het Cartesiaans wereldbeeld. Volgens de Cartesiaan Christiaan Huygens wordt Descartes’ natuurwetenschappelijke fysica namelijk bedreven met des raisons de mechanique; zij heeft mechanische redenen. Daar waar de natuurlijke loop der dingen kan worden nagebootst met een mechanisch model is er geen ander verschil dan de schaal of vorm waarin dit gebeurt. In het beginsel van natuurverklaring wordt uitgesproken dat in het mechanisch aanschouwelijk maken van een fenomeen de verklaring wordt gevonden. Ook het menselijke lichaam kon volgens Descartes op mechanische wijze voldoende worden verklaard. Deze constatering bood hem ruimte een dualistisch onderscheid te maken tussen passieve materie en ziel als specifieke vorm van een ‘activerend principe’. Later zou hij dit in zijn Principia philosophiae (1644) uitwerken naar een opdeling van de werkelijkheid in twee substanties – materiële uitgebreidheid en geestelijk denken – maar dit onderwerp dien ik verder te laten rusten.

Een ander voornaam punt in Descartes’ filosofie, dat met het voorgaande samenhangt, is de ‘methodische twijfel’ ten behoeve van zijn epistemologie. Zich afzettend tegen de Middeleeuwse scholastische filosofie, waarin de goddelijke autoriteit het uitgangspunt en de garantie van het denken vormde, zoekt hij naar nieuwe gronden voor zekerheid. Het rotsvaste geloof in een transcendente macht die niet alleen het gezag en de moraal, maar ook het denken fundeert, wordt bij Descartes als speculatie losgelaten. Het zijn geen atheïstische motieven die aan dit wantrouwen ten grondslag liggen, maar zoals we eerder zagen een verlangen het denken te baseren op beginselen die in het licht van de mathematische rede kunnen worden ‘geaxiomatiseerd’. Dat wat de kerkelijke auctoritas ons als waarheid voorhouden, kan niet zonder meer worden overgenomen als ontwijfelbaar beginsel, want daartoe dienen zij door de rede te worden getoetst.

Omdat Descartes nergens dergelijke beginselen had aangetroffen “voerde hij zelf een radicaal intellectueel hervormingsprogramma uit, dat resulteerde in een zo wezenlijke verandering van het filosofisch perspectief dat de scholastiek langdurig in diskrediet werd gebracht”.[22] Belangrijk wapens in zijn programma vormen zijn Discours de la méthode (1637), Meditationes de prima philosophia (1641) en de eerder genoemde Principia. Teneinde tot een nulpunt van het weten te geraken dat kan functioneren als grondslag voor het denken, dient alle doxa betwijfeld te worden. Het eindpunt van deze methodische twijfel is het inzicht dat ons altijd nog denken rest. Waar men aan alles twijfelt, wordt nog altijd ons denkend subject gedacht. Het is dit inzicht dat Descartes in zijn Discours de la méthode verwoordt met de beroemde zinsnede cogito ergo sum: ik denk, dus ik ben. Volgens deze hoofdpremisse is er een onverbrekelijke en ontwijfelbare samenhang tussen het ‘ik denk’ en het ‘ik ben’ en kan het bestaan in het subjectieve denken niet ontkend worden. Deze waarheid cogito ergo sum heeft een zekere evidentie voor iedereen die haar overdenkt en beredeneert.

God als volmaakt wezen

De vraag die hieruit voortvloeit en ons tevens bij Descartes’ godsbeeld brengt, is die naar de herkomst van deze evidentie. Het betrouwbare weten dient altijd voort te bouwen op noties die volstrekt helder – clair et distinct – zijn en hiertoe is er het ‘natuurlijke licht der rede’. Door elke intellectuele verwarring van buiten de menselijke rede uit te sluiten en volstrekt heldere redeneringen te volgen, is zekere kennis mogelijk. Dat er bij Descartes geen sprake is van kentheoretisch atheïsme blijkt hier, want deze heldere ideeën komen niet empirisch tot ons, maar zijn door God in onze geest gelegd. Dit is van belang, want God vergist zich niet. De fundamentele waarheden, die mensen herkennen als rationeel en voor mogelijk houden, zijn met andere woorden aangeboren. Descartes neemt hier weliswaar het bestaan van God aan, maar heeft zich ook ingespannen Zijn bestaan te bewijzen, namelijk middels een kosmologisch en ontologisch godsbewijs.

Onder de indruk geraakt van Galileï’s veroordeling door de kerk heeft hij er naar gestreefd zijn natuurwetenschappelijke vindingen niet in strijd te laten komen met het katholieke geloof. Op een aantal plaatsen in zijn werk duidt hij zijn vindingen aan als hypothesen en houdt hij nadrukkelijk de mogelijkheid open dat zij onjuist blijken te zijn. Hoewel de mathematische zekerheden door God vastgelegd zijn en de mens naar Gods beeld geschapen is, erkent hij dat er goddelijke zaken zijn die onze verbeelding te boven gaan. Dat er vele thema’s zijn in zijn werk die in een spanningsvolle relatie staan tot wat werd gezien als geopenbaarde christelijke waarheden is evident, maar anderzijds heeft Descartes altijd de noodzaak gevoeld ze te ontkrachten. Desondanks heeft hij niet kunnen voorkomen dat zijn geschriften door de Rooms-katholieke kerk op de Index van Verboden Boeken zijn geplaatst, ‘totdat ze verbeterd worden’.[23]

Met het denken van Descartes is het begin van de moderne of nieuwe filosofie, waartoe ook Pascal gerekend wordt, een feit. Een belangrijke omslag in deze Cartesiaanse revolutie is de antropologische wending naar het subject. Niet meer de goddelijke autoriteit is het uitgangspunt van het denken, zoals dat in de christelijke Middeleeuwen het geval was, maar het menselijk ‘ik’. Het is dit ‘ik’ dat de Cartesianen bekwaam achtten de werkelijkheid op wiskundige en mechanische wijze te doorvorsen. Ik wil in de volgende paragraaf kijken naar Pascals plaats in dit moderne denken en zijn visie op de wiskundige methode.

4. Pascal en zijn methode

Experiment versus de mysteries van het geloof

Net als Descartes hield ook Pascal zich intensief bezig met de wis- en natuurkunde.[24] Zijn Expériences nouvelles touchant le vuide, die ik al eerder kort besprak, handelt over de proef van Torricelli, die op basis van zijn experimentele vindingen het vermoeden uitsprak dat het horror vacui, de opvatting van Aristoteles dat de natuur de absoluut lege ruimte vreest en deze om die reden niet bestaat, onjuist was. Naar Pascals mening is het horror vacui een experimenteel meetbare grootheid. Dit is een belangrijke constatering, want het vermeende luchtledige is daarmee niet langer een mysterieus fenomeen, maar betrokken in het domein van de natuur.

Na dit schrijven zag hij de noodzaak zijn denkbeelden over de methode van de natuurwetenschappen her en der verder uiteen te zetten. In een brief aan pater Noël begint Pascal met de algemene regel dat in de wetenschap geen bewering voor waar mag worden gehouden die niet 1) uit zichzelf duidelijk is voor de rede en 2) er geen aanleiding bestaat deze te betwijfelen óf het zelf een gevolgtrekking is uit dergelijke principes of axiomata. Iedere uitspraak die niet tot één van deze categorieën behoort, moet als twijfelachtig en onzeker worden beschouwd en is slechts een vision, caprice, fantaisie, idee of hooguit een belle pensée. We moeten met andere woorden luisteren naar de stem van de rede, zoals Pascal dat verwoordt in de Pensées:

Iets van horen zeggen is geen criterium voor u het te geloven. Verre van dat: u mag niets geloven zonder u zó op te stellen alsof u er nog nooit van gehoord hebt. Het feit dat u het met uzelf eens bent, en de nimmer zwijgende stem van uw rede, en niet die van de anderen, die moeten u doen geloven.(260)

Van deze stijlregel zijn echter wél de geopenbaarde geloofswaarheden uitgezonderd: “Et nous réservons pour le mystères de la foi, que le Saint-esprit a lui-même révélés, cette soumission d’esprit qua porte notre croyance à des mysteères cahés aux sent et à la raison”.[25] Ook wat betreft het beroep op autoriteiten hanteert Pascal een opvallende boedelscheiding. Wat deze wetenschappelijke zaken betreft “nous ne faisons aucun fondement sur les autorités: quand nous citons les auteurs, nous citons leur démonstrations, et non pas leurs noms”,[26] maar waar het om de vaststelling van historische feiten gaat, zoals de door de theologie onderzochte overlevering, vormen autoriteiten wel degelijk een argument. Pascal gaat dus niet zover als Descartes in het (methodisch) betwijfelen van iedere autoriteit.

Ook methodologisch keert hij zich tegen Descartes. Volgens Pascal moet men niet menen dat een hypothese gerechtvaardigd is, zoals Descartes in zijn Principia had beweerd, wanneer alle relevante verschijnselen er uit kunnen worden afgeleid. Dit is een te beperkt waarheidsbegrip. Het verklaart de reserves die Pascal had tegen het planetenstelsel van Copernicus en waarom hij in de Penseés spreekt over de “wijdse baan die dit hemellichaam beschrijft”, dat is van de zon, en de aarde als een plat “onwaarneembaar streepje”.(72) Het nieuwe heliocentrisch wereldbeeld werd namelijk gerechtvaardigd op basis van Descartes’ methode.

Vanuit een sceptische houding ten opzichte van natuurwetenschappelijke autoriteiten heeft Pascal zich ingespannen de proef van Torricelli middels experimenten te doorgronden. Het experiment ontsluit een waarheid die niet kan worden waargenomen en staat garant voor nieuwe perspectieven. De resultaten van dit onderzoek, Pascals beroemde bijdrage aan de natuurwetenschap die stelt dat er een relatie is tussen vloeistofniveaus en de luchtdruk, zijn neergeschreven in het Récit de la grande expérience de l’équilibre des liqueurs en het later verschenen Traitez de l’équilibre des liqueurs et de la pesanteur de l’air. Over het laatste geschrift schrijft Dijksterhuis “dat hij in de axiomatisering van de hydro- en aërostatica een belangrijker en duurzamer geestelijk bezit heeft nagelaten dan in zijn beschouwingen over de genade”.[27]

De ‘ordre rationnel’ van de wiskundige geest

Hoewel het idee van een wetenschappelijke methode veelal met Descartes’ Discours de la méthode wordt geassocieerd, heeft Pascal zijn eigen variant.[28] Waar hij de term ‘methode’ meestal ironisch en pejoratief gebruikt, is hij in een onvoltooid traktaat op zoek naar ‘de la methode des démonstrations géometriques, c’est-à-dire methodiques et parfaites’, ofwel de methode voor wiskundige (dat wil zeggen methodische en perfecte) bewijzen. Dit traktaat, bedoeld als een voorwoord bij het handboek logica voor de School van Port-Royal, La logique ou l’art de penser, is getiteld De l’esprit géométrique (1655). Door speciaal aandacht te vestigen op de wiskundige geest onderscheidt hij deze in feite – tot dan toe ongebruikelijk – van de filosofische. Dit is een afbakening die pas in de achttiende eeuw een grote rol zou gaan spelen.[29]

Pascal begint zijn traktaat met de constatering dat men, wanneer men met de waarheid bezig is, drie dingen op het oog kan hebben: haar ontdekken wanneer men haar zoekt, haar bewijzen wanneer men haar reeds bezit en haar onderscheiden van onwaarheid wanneer men haar beproeft. De rede (raison) is werkzaam in de tweede categorie van het bewijs. Het gaat hier om het afleiden en bewijzen van waarheden uit gegeven principes, definities en axioma’s en de geometrie is de geschikte wetenschap voor deze handeling, zelfs op ieder niet-wiskundig terrein: “la véritable méthode de conduire le raisonnement en toutes choses”.[30]

De wiskunde is de enige wetenschap die het mogelijk maakt foutloze bewijzen te leveren, omdat het de ware methode navolgt. Deze ware, meest volmaakte methode bestaat slechts uit twee regels, namelijk het definiëren van elke term in de bewijsvoering en het bewijzen van elke propositie uit bekende waarheden. Het wiskundige denken is voor Pascal dan ook – net als voor Descartes – hét voorbeeld voor al het denken. Het wiskundige denkmodel representeert wat men met de ordre rationnel kan aanduiden, een rationele orde voor het ‘strenge’ denken.[31] Hoewel de wiskunde deze hoog gegrepen ideale methode niet altijd kan waarmaken, streeft zij er in ieder geval naar en benut zij op deze wijze de menselijke denkcapaciteiten. Het gaat Pascal dan ook niet om het vinden van geheel nieuwe waarheden, zoals Descartes voorstond, maar om het met wiskundige bewijzen reeds aangenomen waarheden overtuigend te maken.

Het is duidelijk geworden dat Pascal, hoewel hij ruimte wil laten voor de geloofsmysteries en religieuze autoriteiten, net als Descartes grote waarde hecht aan de wiskundige denkmethode en het experiment. De wiskunde is de ware methode om het redelijk denken te leiden. Dat echter ook de wiskundige denkmethode zwakke plekken kent en zelfs de hele rede feilbaar is, komt aan bod in de volgende paragraaf, waar we ingaan op Pascals scepticisme.

5. De grenzen van de rede

De ‘ordre humain’ van de eindige geest

Waar Pascal in het voorgaande de wiskundige methode nog ophemelt, merkt hij in een brief (1660) aan de beroemde wiskundige Fermat op: “Car pour vous parler franchement de la géométrie, je la trouve le pus haut exercise de l‘esprit; mais en même temps je la connais (…) si inutile”.[32] Hoewel hij de wiskunde dus aanduidt als hoogste oefening van de geest en verderop als het mooiste beroep, ziet hij tegelijkertijd haar nutteloosheid op sommige gebieden en weinig verschil tussen een ‘géomètre’ en een ‘artisan’, of wel een wiskundige en een handwerkman. Wiskunde is nuttig als oefening, maar niet zozeer het gebruik van de menselijke sterkte bij uitstek. In het vorige hoofdstuk is dan ook nog de voornaamste beperking van de wiskundige methode achterwege gebleven.[33] De ideale wiskundige methode is volgens Pascal volstrekt onhaalbaar, omdat in het definiëren van termen een oneindige regressie optreedt. Hij schrijft namelijk eveneens in De l’esprit géométrique:

En poussant les recherches de plus en plus, on arrive nécessairement à des mots primitifs qu’on ne peut plus définir, et à des principes si clairs qu’on n’en trouve plus qui le soient davantage pour servir à leur preuve. D’où il paraît que les hommes sont dans une impuissance naturelle et immuable de traiter quelque science que ce soint dans un ordre absolutement accompli.[34]

De ondefinieerbaarheid van termen en de noodzaak van basisaannames en axioma’s in de wiskundige methode tonen dus de onvolmaaktheid en eindigheid van de menselijke geest aan, die zich uiteindelijk met deze ondefinieerbare entiteiten tevreden moet stellen. In vergelijking met de ordre rationnel kunnen we deze menselijke grenzen de ordre humain, de humane orde, noemen.[35] Hoewel niet uit de menselijke rede ontsproten, vormen deze ondefinieerbare, maar intuïtieve principes wel een uitgangspunt om de wiskundige bewijsvoering voort te zetten.

De menselijke geest wordt door Pascal nog op andere wijze in diskrediet gebracht. In het tweede deel ‘l’art de persuader’, de kunst van het overtuigen, beweert hij dat mensen er op twee manieren toe worden gebracht iets aan te nemen. De meest natuurlijke weg is die via het verstand (entendement) of de geest (esprit) maar de meest voorkomende die via de wil (volonté) – in de klassieke betekenis van onze begeertes, wensen en disposities – of het hart (coeur). Hoewel de eerste weg geëigend is voor natuurlijke en de tweede voor bovennatuurlijke zaken, wordt deze orde veelal omgekeerd. Bovendien delft het verstand veel eerder het onderspit, omdat de wil zich moeilijker laat overtuigen en waarheid sneller wordt aanvaard als het strookt met onze wensen.

Het denkende riet

In de Pensées wordt de eindigheid van de menselijke geest op andere manieren inzichtelijk gemaakt. Allereerst moeten we benadrukken dat volgens Pascal de mens “duidelijk geschapen [is] om te denken, want hierin ligt heel zijn waardigheid, en heel zijn verdienste”.(146) Zonder dit denken is de mens niet voor te stellen, want dan zou hij een steen of een beest zijn.(339) Hoewel de mens maar een kwetsbaar riet is, het zwakste in de natuur, is hij “een denkend riet” en daarom edeler dan veel andere zaken.(347) Met andere woorden bestaat in het denken de grootheid van de mens,(346) waarin hij zich als schepsel van de dieren onderscheidt. De mens is niet het denkende dier, maar mens omdat dieren niet (redelijk) denken. Pascal doet deze constateringen echter nadrukkelijk af als halve waarheden. Vanuit de Pensées kunnen ten minste vijf categorieën van tegenwerpingen worden genoemd.

Ten eerste is de mens niet tot denksubject te reduceren. Deze is namelijk “evenzeer automaat als geest”, begiftigd met gevoel en rede. Naar mijn mening is dit automaat – een mooi beeld uit de filosofie van Pascals tijd – hetzelfde als wat ik hierboven met ‘wil’ heb aangeduid. Het gevoel wordt gestuurd door gewoontes en begeertes en sleept daarom de rede eenvoudig mee. In tegenstelling tot het gevoel is de rede langzaam en werkt “vanuit zoveel gezichtspunten en beginselen, die zij altijd paraat moet hebben, dat het haar ieder moment duizelt en zij op een dwaalspoor geleid wordt omdat zij niet alle beginselen voor zich ziet”.(252) Zoals reeds uit ‘l’art der persuader’ bleek, is de rede gevoelig voor wetenschappelijke waarheden, maar laat de wil zich allereerst motiveren door ons lot en geluk.

Het denken laat zich ten tweede eenvoudig af- en misleiden en is daarmee zwak te noemen. Volgens Pascal is het redeneren een buigzaam iets; het laat zich in iedere richting sturen door onze psyche en er is geen absolute maatstaf voor waarheid.(274) Zeggen dat iets moet worden geloofd om een bepaalde reden is dan ook een zwak argument, “omdat je met de rede alle kanten uitkunt”.(561) De rede waait bovendien met alle winden mee, laat zich gemakkelijk van de wijs brengen en ons oordeelsvermogen en onze zintuiglijke waarneming kunnen vertroebelen.(82) De mens is dan ook

slechts een wezen vol aangeboren dwaling, die zonder de genade onuitroeibaar is. Niets toont hem de waarheid, alles misleidt hem. De rede en de zintuigen, die twee grondslagen der waarheid, zijn niet alleen allebei onoprecht, maar misleiden ook elkaar nog.(83)

De menselijke geest – ‘van deze hoogste rechter van de wereld’ – is bovendien niet onafhankelijk, omdat hij zich door het minste of geringste laat storen in een juiste oordeelsvorming. Een favoriete illustratie van Pascal hierbij is ‘de macht van vliegen’; met hun gezoem blokkeren zij zonder moeite ons redeneren.(366,367) ­ Tot slot laten gedachten zich niet dwingen. Zij “komen bij toeval op en gaan bij toeval weg. Er bestaat geen methode om ze vast te houden of te krijgen”.(370)

Een derde tegenwerping vormt de constatering dat de mens geen absolute denkvrijheid heeft. Met het feit dat het denken een scheppingsgave aan de mens is, komt de taak mee ordelijk te denken. Dat de mens voor God is geschapen,(438) impliceert dat het denken in Zijn dienst staat. Dit wil zeggen dat het aan de mens is “dat hij denkt zoals het behoort”. Deze denkethiek dient zijn uitgangspunt te hebben in de Schepper en het menselijk einddoel.(146) Sjestov spreekt in dit verband typerend over de rede bij Pascal die, niet zoals bij veel filosofen God uitdaagt, maar door God voor het gericht wordt gehaald.[36]

Ten vierde is het menselijke denken maar beperkt. “De laatste stap van het redelijk denken”, stelt Pascal in een beroemde gedachte, “is de erkenning dat er oneindig veel dingen zijn die het te boven gaan. Als het aan dat inzicht niet toekomt is het maar zwak”.(267) Hiermee is niet alleen gezegd dat het redelijk denken zijn plaats moet kennen en een hogere waarheid moet erkennen, maar deze erkenning ook de laatste stap moet blijven en de doordenking van deze bovennatuurlijke zaken niet aan de rede toekomt. Op deze zaken kom ik terug in § 6 en 7.

Tenslotte is de menselijke rede verdorven ten gevolge van de zondeval van de mens. “Dat de rede verdorven is”, schrijft Pascal, “blijkt wel uit al die verschillende en buitensporige gebruiken”.(440) Blijkbaar brengt de rede ons niet alleen bij verschillende inzichten, de eerder benoemde buigzaamheid van het denken, maar kunnen deze soms ook nog buitensporig worden genoemd, een eigenschap die niet bij de waarheid past. Door de verdorven natuur van de mens handelt deze niet daadwerkelijk in overeenstemming met de rede.(439) Pascal noemt het denken daarom “van nature iets bewonderenswaardigs en onvergelijkelijks”. Het moet om verachtelijk te worden namelijk wel buitengewone gebreken hebben en er kleven zulke gebreken aan dat niets belachelijker is. Denkend aan de rede verzucht hij: “Wat is het van nature toch groot, en door zijn fouten minderwaardig!”.(365)

De begrensdheid van de rede

Dit soort kanttekeningen zal Pascal op het oog hebben gehad als hij stelt: “Niets strookt zo met de rede als deze afwijzing van de rede”.(272) Het gaat hem niet om de afwijzing van de rede op zich – integendeel, want het is de waardigheid van de mens – maar het afkeuren van een rede die ‘de laatste stap van het denken’ niet maakt. Niets strookt dus zo met de rede als een rede die zich begrensd weet. Pascals kenleer is in feite dan ook een negatieve epistemologie; het laat voortdurend zien wat kennis níet is, het trekt pogingen om tot een algehele kennis van de werkelijkheid te komen in twijfel en blijft hameren op de oneindigheid van het onbekende.[37]

Hoewel Pascal in een gedachte een brieffragment “over de dwaasheid van de menselijke wetenschap en de filosofie”(74) aankondigt, is het hem niet om een complete afwijzing van beide te doen. Een geharde scepticus kan hij dan ook niet worden genoemd. Met gevoel voor stijl schrijft hij: “Wij hebben een onmacht om iets te bewijzen die met geen enkele dogmatiek overwonnen kan worden. Wij hebben een idee van de waarheid dat door geen enkele scepticisme weerlegd kan worden”.(465) Zowel de ontwijfelbare pretentie iets te kunnen bewijzen als de afwijzing van elke waarheid gaan uit van een verkeerde voorstelling van zaken. Pascal wil de begrensdheid van de rede laten zien, die hij mist in het denken van Descartes. Dit denken reduceert de mens tot een denkend subject dat in een zuiver rationele verhouding tot de werkelijkheid staat. Het is echter juist onredelijk de grenzen van de rede niet te willen zien.

In deze paragraaf is naar voren gekomen dat Pascal een sceptische houding ten opzichte van de wiskundige methode en de rede in het algemeen inneemt. Er moeten duidelijk grenzen worden gesteld voor het redelijk denken. Ik wil nu kijken naar Pascals fideïsme en de relatie tussen zijn scepticisme en het godsgeloof.

6. De God van Pascal

Het ware levensgeluk

In Pascals denkwereld zijn er maar drie soorten mensen: “zij die God dienen omdat ze Hem gevonden hebben, zij die Hem niet gevonden hebben en daarom bezig zijn Hem te zoeken en zij die leven zonder Hem te zoeken of gevonden te hebben”.(236) Slechts de eerste soort mensen noemt hij gelukkig, de tweede ongelukkig, maar verstandig en de derde ongelukkig én dwaas. Het ware levensgeluk schuilt blijkbaar in het zoeken en vinden van God, maar het is deze God die Pascal meer en meer ziet verdwijnen in het moderne denken van zijn tijd. Om hem heen erodeert de christelijke leer als het ware. Niet voor niets ziet hij de noodzaak een apologie van het christelijk geloof te schrijven, daarbij waarschijnlijk de groep van ongelukkige dwazen op het oog hebbend.

De christelijke godsdienst komt volgens Pascal kortweg op twee dingen neer. Zij leert de mens tegelijkertijd de waarheid “dat er een God is voor wie de mensen ontvankelijk zijn” en de waarheid “dat er een verdorvenheid is in de natuur die maakt dat ze Hem niet waard zijn”. Als men slechts één van deze punten erkent, leidt dat “hetzij tot de arrogantie van de filosofen, die God hebben leren kennen en niet hun eigen ellende, hetzij tot de wanhoop van de atheïsten, die hun ellende beseffen en van geen Verlosser weten”.(556) We zagen dit contrast eerder verwoord in het Mémorial, waarin Pascal zich een gelovige noemt in de God van de aartsvaders Abraham, Isaäk en Jacob en niet die van de filosofen en geleerden. Op dit laatste godsbeeld – dat van de ongelukkige dwazen – richt hij in de Pensées zijn pijlen.[38]

De God van de deïsten

Het eerste godsbeeld dat Pascal expliciet bekritiseert, is het deïsme. In deze levensbeschouwing wordt er wel degelijk in een God geloofd, maar is Hij de onpersoonlijke en abstracte machinemaker van het heelal, die haar passief door Zijn wetten bestuurt. Pascal concentreert deze kritiek met name op Descartes, die hij na de gebeurtenissen rond het Mémorial heftig bestrijdt.[39] Diens filosofie bracht het christelijke denken een gevoelige slag toe door te suggereren dat er geen directe relatie is tussen het geschapene en de Schepper. Volgens Pascal verdiept Descartes zich teveel in de wetenschap – en dus niet in het heil – en is hij “onbruikbaar en onzeker”, omdat zijn visie op God niet bijdraagt tot ons heil en zijn filosofisch systeem uiteindelijk op onzekere principes berust.(76,78) Hij houdt naar zijn mening onvoldoende rekening met de beperktheid van de menselijke rede, zowel wat betreft natuurlijke als bovennatuurlijke zaken.

Aangaande de natuurlijke zaken verwijt hij Descartes dat bij hem het menselijke begrip bepalend is voor de waarheid achter de dingen. Datgene wat onbegrijpelijk is, zou niet kunnen bestaan. Sommige Cartesianen hielden om die reden het goddelijk wonder voor onmogelijk. Maar, werpt Pascal tegen, “alles wat onbegrijpelijk is houdt nog niet op te bestaan”.(430) Het is een menselijke ziekte om te denken dat hij altijd de waarheid in pacht heeft en denkbeeldige oorzaken in moet voeren om de natuur begrijpelijk te maken. In de wetenschap moeten zaken geaccepteerd worden, zijnde als zodanig door God gewild. Met Descartes’ mechanisering van het wereldbeeld wordt de werkelijkheid het mysterie ontzegd. Hij zet de werkelijkheid als een machine in elkaar,(79) dat wil zeggen hij ontwerpt de werkelijkheid als een alomvattend systeem, en verklaart allerlei fenomenen als ‘niet anders dan’ een bepaalde achterliggende wiskundige, mechanische oorzaak.(368) Zoals we zagen, staat dit denken wel bekend als de mathesis universalis, het streven naar universele kennis en een daaruit volgend mathematisch systeem van het hele universum.[40] Als dit filosofie is, schrijft Pascal, “menen we dat de hele filosofie het niet waard is om je er ook maar één uur voor in te spannen”.(84)

Deze zaken komen uitgebreid aan bod in de 72e gedachte. De mens zou zijn natuurwetenschappelijke blik eens moeten afwenden van alle “laagstaande dingen om hem heen” en aandacht moeten hebben voor de gehele natuur “in haar volle en verheven grootsheid”. Waar onze waarneming ophoudt, kunnen we met onze verbeeldingskracht verder gaan. Dat ons voorstellingsvermogen bij sommige zaken in de war raakt, is “het belangrijkste waarneembare kenmerk van de almacht van God”. De mens moet weer tot zichzelf komen en overdenken wat hij is in de oneindigheid. Want enerzijds zijn er de ‘verbijsterende wonderen’ van de allerkleinste dingen in de natuur en anderzijds de onmetelijkheid van het universum. “[I]k denk”, schrijft Pascal, “dat zijn nieuwsgierigheid zal overgaan in verwondering en dat hij eerder geneigd zal zijn ze zwijgend te aanschouwen dan ze hoogmoedig te doorvorsen.” Hoewel de filosofen hebben geprobeerd deze verbijsterende processen te doordenken, is het slechts de Schepper van deze wonderen, die ze door-grondt. Wanneer men meer van deze zaken weet, “begrijpt men dat de natuur in alle dingen haar beeld en dat van haar Maker heeft gegrift”.(72)

Denkend aan Descartes’ rationalisering van Gods schepping verstomt Pascals lofzang op de grootsheid van de natuur: “De eeuwige stilte van deze eindeloze ruimten vervult me met angst”.(347) Deze angst komt op wanneer we het hele zwijgende heelal aanschouwen en zien

hoe de mens zonder inzicht als een verdoolde in deze uithoek van het universum aan zichzelf is overgelaten, zonder te weten wie hem daar heeft neergezet, wat hij er komt doen, wat er van hem zal worden als hij sterft, zonder in staat te zijn ook maar iets te weten(693), enz.

Het zijn de consequenties van het ontbreken van oriëntatiekaders voor de blinde en ellendige moderne mens, zoals Pascal die in andere gedachten schetst. Het is om het aanvoelen van dit moderne levensgevoel dat hij wel één van de eerste moderne mensen kan worden genoemd.[41] Hij beschrijft dit gevoel ook wel als het opgesloten zitten in een kerker,(218) waarmee gezegd wil zijn dat het omverwerpen van een wereldbeeld en het centraliseren van alle inzichten leidt tot een mens met oogkleppen, die geen oog meer heeft voor het grote geheel en de betekenissen van wetenschappelijke ontdekkingen voor de mens zélf.

Omdat Pascal natuurwetenschap en theologie niet strikt wil scheiden,[42] maakt hij Descartes soortgelijke verwijten met betrekking tot de bovennatuurlijke zaken. De Cartesianen schroomden namelijk niet zijn methode en het logische ideaal van het clair et distinct idee toe te passen op de geheimenissen van het geloof.[43] Over de mens ten opzichte van Gods barmhartigheid merkt Pascal bijvoorbeeld op: “ik zou wel eens willen weten waarin dit dier, dat zich zo zwak weet, het recht ontleent te bepalen hoe groot de barmhartigheid van God is en daaraan de grenzen te stellen die zijn verbeelding hem ingeeft”.(430) Het is een hoogmoedige houding die de rede niet toekomt.

Samenvattend gebruikt Descartes het godsbegrip slechts om de betrouwbaarheid van de menselijke kennis te garanderen. We kunnen alleen op onze zintuiglijke waarneming vertrouwen omdat God als volmaakt wezen bestaat. Nadat God de wereld heeft geschapen is er in het mechanische systeem geen taak meer voor Hem. “Ik kan het Descartes niet vergeven: hij had graag gewild dat hij in staat was geweest het in de hele filosofie zonder God te doen”, aldus Pascal in een aan hem toegeschreven uitspraak, “maar hij kon toch niet anders dan Hem een knip met de vingers te geven om de wereld in beweging te zetten; daarna heeft hij God niet meer nodig.”(77) Deze hoogmoedige mentaliteit van de Cartesiaanse filosofie heeft Pascal, volgens een tijdgenoot, aangeduid als “de roman van de natuur die ongeveer te vergelijken is met de geschiedenis van Don Quichotte”,[44] een vermenging van droom, trots en egoïsme.

De god van de atheïsten

Naast het deïsme bekritiseert Pascal expliciet het atheïsme, een levensbeschouwing die men blijkbaar gedurende zijn leven al expliciet aantreft. Atheïsten ontkennen niet alleen het bestaan van een hogere macht, maar maken een god van de mens en zijn rede. Het is volgens Pascal weliswaar een bewijs van geestkracht – zij moeten namelijk altijd dingen zeggen die zonneklaar zijn(221) – maar slechts tot op zekere hoogte.(225) Ongelovigen die “openlijk verklaren dat ze hun rede volgen”, moeten daarin namelijk wel buitengewoon sterk zijn,(226) want hun redelijkheid is ten diepste onredelijk. “Een van de dingen die de verdoemden in verlegenheid zullen brengen”, zal volgens Pascal namelijk “het inzicht zijn dat ze veroordeeld zullen worden door hun eigen rede, waarmee ze pretendeerden de christelijke godsdienst te veroordelen.”(563) God verloochenen is slechts een kwestie van kortzichtigheid. Het is als iemand die opgesloten is in een kerker, niet weet of zijn vonnis geveld is en nog maar een uur de tijd heeft om daar achter te komen en het eventueel te herroepen. Wat is dan tegennatuurlijker dan die tijd te gebruiken om “een kaartje te leggen”?(200) Het is tevens te vergelijken met mensen die  nadat zij zich iets hebben voorgebonden dat hun het zicht ontneemt, onbezorgd de afgrond inrennen.(183)

De God van de aartsvaders en de christenen

Pascal zélf rekent zich met zijn godsbeeld tot een eeuwenoude traditie. Hij stelt nadrukkelijk dat de God van de christenen niet enkel een schepper is van de wiskundige waarheden en van de orde der elementen, zoals de Epicuristen dachten. Ook het standpunt van de Joden dat God slechts Zijn voorzienigheid uitoefent en hen beloont die Hem aanbidden, is onjuist. Nee, zijn God,

de God van Abraham, de God van Izaäk, de God van Jacob en de God van de christenen is een God van liefde en vertroosting. Het is een God die van degenen die Hem toebehoren de ziel en het hart vervult. Het is een God die hun innerlijk hun ellende en Zijn oneindige barmhartigheid laat voelen, die zich in het diepst van hun ziel met hen verenigt en deze vervult mee deemoed, vreugde, vertrouwen en liefde, en hen voor geen ander doel doet openstaan dan voor Hemzelf.(556)

Aan deze godsdienst ligt volgens Pascal een grote wijsheid ten grondslag, hoewel sommige feitelijke gebeurtenissen niet anders kunnen worden getypeerd dan als dwaas. Met een verwijzing naar de brief aan de Korinthiërs schrijft hij:

Deze godsdienst, die zo rijk is aan wonderen, aan heiligen, aan beginselvaste lieden, aan lieden zonder enig feilen, aan geleerden, aan grote getuigen en martelaren, aan regerende koningen (…) en aan wetenschap, pleegt na al zijn wonderen en wijsheid ten toon te hebben gespreid dit alles te verwerpen en te zeggen dat hij geen wijsheid en tekenen kent maar het kruis en de dwaasheid.(587)

Een centrale rol in de zich ontvouwende wijsheid wordt vervuld door Christus, “het doel van alles en het centrum waarop alles gericht is” en wie Hem kent, “kent het waarom [raison] van alle dingen”.(556) Niet alle bovennatuurlijke wijsheid is dus redelijk voor de mens. In een leerstuk als de erfzonde, “voor de mensen iets krankzinnigs”, ontbreekt het volgens Pascal dan ook aan redelijkheid en hij definieert haar als onredelijk. Maar, “dit krankzinnige heeft meer wijsheid dan alle wijsheid van de mensen, sapientius est hominibus”.(445) Hoewel sommige van zijn tijdgenoten de realiteit van wonderen durven te betwijfelen, blijven het voor Pascal tekenen van boven. Wonderen zijn geen instrumenten tot bekering, maar ontnemen ongelovigen een excuus om niet in God te geloven.[45]

Toch geeft dit alles geen aanleiding het christelijk geloof geheel als onredelijk te typeren. Integendeel, het geloof ís ten diepste redelijk, maar de geloofswaarheden laten zich niet vanuit natuurlijke inzichten bewijzen. Vanuit het idee dat zaken bij moeten dragen aan ons heil, noemt hij dergelijke bewijzen van de natuurlijke theologie veelal nutteloos en onvruchtbaar.(556) “De metafysische godsbewijzen liggen zover af van de manier waarop de mensen denken en zijn zo ingewikkeld, dat men er niet erg door geraakt wordt”.(543) Descartes’ godsbewijzen zal Pascal dan ook verwerpen. Het zijn abstracte, filosofische godsbeelden waar het hem niet om te doen is. Het geloof is een godsgeschenk in het hart en niet een vrucht van het verstandelijk denken, hoewel het bewijs er dikwijls een instrument toe is.(248,761) Popkin stelt daarom dat Pascal gelooft dat “a man can show that it is unreasonable or unwise to be an atheist but not that it is reasonable to be a theist”.[46]

Anderzijds ontkent Pascal eveneens dat er bewijzen te leveren zouden zijn om de christelijke waarheid in diskrediet te brengen. Het geloof zegt ons weliswaar wat de zintuigen niet vertellen, maar niet het tegendeel van wat zij waarnemen; “het staat er boven en niet er tegenover”.(265) Zelf kiest hij voor een andere invalshoek, namelijk het idee dat een kenmerk van de ware godsdienst is dat zij een verklaring kan bieden voor de menselijke natuur en daarin verklaringskracht heeft.[47]

De hemel wagen

Dat Pascal de christelijke godsdienst geen redelijkheid ontzegt, blijkt nog op andere wijze. Wiskunde en kansrekening, de interessegebieden van Pascal, blijven namelijk van belang. In sommige Pascal-onderzoeken wordt een onderscheid gemaakt tussen zijn wiskundige periode en die van zijn apologie van de christelijke godsdienst. “Onderschat wordt echter”, schrijft Dijksterhuis, “de betekenis die dit denken, naar de bewaard gebleven fragmenten te oordelen, voor de ontworpen apologie van den Christelijken godsdienst zou hebben gehad.”[48] Het brengt Ernst Cassirer in zijn Die Philosophie der Aufklärung tot de stelling dat Pascal, een meester in het hanteren van de moderne analytische logica die hij in zijn wiskundige werken tot hoge perfectie had gebracht, “now wields this instrument in the service of a fundamental religious question”.[49]

Deze stelling wordt geïllustreerd in het beroemde 233e fragment.[50] Pascal stelt daar dat het verstand ons op geen enkele wijze uitsluitsel kan geven over de stelling ‘God bestaat of hij bestaat niet’. Er moet daarom worden gewaagd op één van beide keuzes. Als we ons verstand, wil, kennis en geluk inzetten op God en Hij inderdaad blijkt te bestaan, valt ons eeuwig leven en geluk ten deel. Als we inzetten op het niet-bestaan van God en Hij toch blijkt te bestaan, eindigen we in de eeuwige ellende. Als God niet bestaat, baat en schaadt het niet en doet onze keuze niet ter zake. Wanneer je gedwongen bent dit kansspel te spelen – en dat is de mens – “moet je daarom wel van iedere redelijkheid afzien als je liever je leven behoudt dan het te wagen voor een oneindige winst, die even waarschijnlijk is als een verlies van niets.”(233) In een ander fragment duidt Pascal dit anders aan vanuit de angst: “Mijn angst om me te vergissen en dan te ontdekken dat de christelijke godsdienst [toch] waar is, zou veel groter zijn dan mijn angst hem bij vergissing voor waar te houden”.(241)

Aan het einde van het fragment laat Pascal zien dat zijn kansspelargument weliswaar bewijs-kracht heeft, maar het vaak onze hartstochten van de wil zijn die ons van het geloof afhouden, hoe verstandig de argumenten ook zijn. Als het er dus om gaat een mensenleven te veranderen, is het zinvoller een teleologische aanpak te kiezen door de mensen op hun einddoel te wijzen en hun passies te disciplineren.[51] We zagen dit reeds bij Pascals visie op de wil als automaat.

Ik heb in het bovenstaande duidelijk willen maken dat de God van Pascal in schril contrast staat met die van de deïsten en atheïsten. Pascals God is een theïstisch God, die zich uit liefde actief met de mensheid inlaat. Hoewel er geen redelijke (wiskundige) bewijzen te leveren zijn voor de christelijke waarheid ligt er een hogere redelijkheid aan ten grondslag, die het aannemelijk maakt er in te geloven. Heel ons leven zal dan ook in het teken van het zoeken en vinden van deze waarheid, namelijk het heil, moeten staan. In het volgende hoofdstuk wil ik kijken hoe in deze levensopdracht geloof en rede werkzaam zijn.

7. De filosofie van het hart

Een humane wetenschap

Met de voorgaande hoofdstukken in het achterhoofd wil ik proberen tot een filosofie van Pascal komen.[52] Filosofie in de zin van een overkoepelende waarheid, want over de filosofie als zelfstandige discipline spreekt hij vrijwel alleen maar laagdunkend. Filosofen als Aristoteles, de Stoïcijnen, de Epicureeërs, de Scholastici, Montaigne, Charron en Descartes bespreekt hij meer dan eens met ‘bijtende spot’ en alleen voor Plato heeft hij nog een goed woord over. Jonathan Israel heeft Pascals instelling mooi aangeduid als een anti-filosofische filosofie.[53] Pascal ziet filosofie dan ook niet als een wetenschappelijke discipline, die ons kan helpen in methodologische en epistemologische vragen, maar als een zelfverstaan van alle andere disciplines. Als geen ander voelt hij aan dat de moderne wetenschap een overstijgende filosofische reflectie behoeft, die het wetenschappelijk onderzoek als een ‘tegenover’ bekijkt en de fenomenen vanuit de mens doordenkt. “Hoe luid de rede ook protesteert”, schrijft Pascal, “zíj is niet in staat de waarde der dingen te bepalen”.(82)

Volgens Mesnard grondt bij Pascal de filosofie in de ‘persoonlijke existentie’. Elk denken gaat uit van bepaalde meningen, die door het gezonde mensenverstand of de opvattingen van filosofen worden gevormd en wil deze beoordelen. Hierbij wordt als het ware een weg afgelegd. De onbewuste onwetendheid wordt pas gevuld als niet alleen de feiten spreken, maar de waarheid ook geestelijk wordt ervaren. Bij het kennen van de rede blijft de kennende persoon zelf buiten schot, maar bij Pascal gaat het om de kennende persoon die zelf in het geding is, om existentiële kennis.[54]

Hoewel Pascals denken vele facetten heeft, waarvan een groot deel nog onbesproken blijft, is er wel degelijk een eenheid te ontwaren, die ook een beter licht op de losse delen werpt.[55] Er vanuit gaande dat Pascal een betekenis op het oog had, moet dit ook wel als hij schrijft: “Iedere schrijver beoogt ofwel een betekenis waarbinnen alle tegenstrijdige passages in overeenstemming zijn, ofwel helemaal geen betekenis”.(684) Deze eenheid in het denken van Pascal zou ik willen aanduiden als ‘de filosofie van het hart’.

De redenen van het hart

Waar het de mens in Pascals visie ten diepste om gaat, is tot waarheid ofwel ware kennis te komen. Deze waarheid kennen we niet alleen met de rede, maar ook met het hart.(282) Met het hart onderkennen we de eerste beginselen, waar de argumenterende rede geen deel aan heeft:

Want de kennis van de eerste beginselen: ruimte, tijd, beweging, getallen, is even stellig als welke kennis dan ook die onze redeneringen ons opleveren, en het is deze kennis, van het hart en het instinct, dat de rede moet steunen en zijn betoog moet funderen. Het hart voelt dat de ruimte drie dimensies heeft en dat het aantal getallen oneindig is, en de rede toont ons vervolgens dat er geen twee kwadraten zijn waarvan het ene het dubbele is van het andere. De beginselen worden aangevoeld, stellingen bewezen en dat alles met zekerheid, zij het langs verschillende wegen.(282)

Elders verbindt Pascal het onderscheid tussen hart of instinct (in de klassieke intellectuele zin) en rede met de intuïtieve en de wiskundige geest. Bij de laatste zijn de principes evident en is het trekken van een verkeerde conclusie bijna onmogelijk, maar de principes staan ver af van de werkelijkheid. Voor de eerste horen de principes tot de dagelijkse praktijk, maar omdat ze zo subtiel en talrijk zijn ontsnappen ze eenvoudig aan onze aandacht en kunnen er alsnog fouten gemaakt worden. Bij dit onderscheid ligt tevens een gevaar op de loer:

Daarom komt het zelden voor dat wiskundigen intuïtief zijn en intuïtieve geesten wiskundigen, want wiskundigen willen deze intuïtieve dingen wiskundig benaderen, en maken zich belachelijk omdat ze met definities gevolgd door principes willen beginnen, wat bij deze vorm van denken niet de juiste aanpak is.(1)

De conclusie moet dan ook zijn dat de domeinen van het hart (het intuïtieve) en de rede (het wiskundige) onderscheiden dienen te worden. God heeft ons de gave ontzegd alles door intuïtie te weten en ons maar weinig van deze kennis gegeven. Het hart en de rede hebben elk hun eigen ordening,(283) die niet herleidbaar en inwisselbaar zijn. Bayle spreekt in dit verband in zijn Dictionnaire over verschillende ‘rechten’: “il distingua exactement toute la vie les droits de la Foi d’avec ceux de la Raison”.[56] Hart en rede zijn kenmerken van twee naturen, die de mens blijkbaar in zich verenigt.(282) Er zijn dan ook “twee vormen van overdrijven: de rede uitsluiten; alleen de rede laten gelden”.(253)

Toch brengt Pascal de rede een gevoelige slag toe. Hij heeft dit – in misschien wel zijn beroemdste gedachte – verwoord met “Het hart heeft zijn eigen redenen, waar de rede niets van weet”.(277) Er is kennis mogelijk van zaken die redelijkerwijs onkenbaar zijn. De onmacht alles intuïtief te kunnen aantonen is de ruimte die rest voor de rede, die over alles zou willen oordelen, maar eigenlijk ‘een toontje lager moet zingen’. Met gevoel voor dramatiek schrijft Pascal: “Hoe zie ik toch graag hoe die hoogmoedige rede vernederd wordt tot een smekeling”.(388) Deze zaken kunnen wederom in het bijzonder op Descartes worden betrokken. Ten eerste houdt Pascal diens redelijke rechtvaardiging van de intuïtieve kennis voor onmogelijk. De intuïtieve waarheid kan niet worden beredeneerd, want de principes die we daar voor nodig hebben, zijn juist aan de intuïtie ontleend. Daarnaast veroordeelt hij expliciet Descartes’ filosofische twijfel: de twijfelende kan niet betwijfelen dat hij twijfelt, omdat er voor de mens oorspronkelijke waarheden en axioma’s zijn, die iedereen bezit en waarmee iedereen instemt.(431) De mens is als het ware de maatstaf voor de wiskunde!

Dat de mens echter niet de maat van alle dingen is, blijkt uit het feit dat de enige waarheidsgrond voor de intuïties wordt gevormd door het geloof in en het luisteren naar God.(434) Dit wordt nog duidelijker als het hart de plaats blijkt waar de Godsontmoeting plaatsheeft: “Het is het hart dat God waarneemt, niet de rede. Dát is geloven: God in het hart voelen, niet met de rede”.(278) Zonder het gevoel in het hart is geloven slechts mensenwerk. Pascal onderscheidt dan ook speciale geloofskennis. In zijn achttiende brief van Les provinciales noemt hij drie verschillende bronnen van kennis: de ervaring, de rede én het geloof. Deze kunnen ons onderwijzen omtrent respectievelijk het feitelijke, het intelligibele en het bovennatuurlijke. Sommige zaken kunnen dus alleen door het geloof worden gekend. Zo kan de mens bijvoorbeeld zonder het geloof noch het ware goede noch de gerechtigheid kennen.(425)­­ Wij kennen niet alleen God door Jezus Christus, maar ook onszelf: “Zonder de Schrift, die alleen over Christus gaat, weten wij dus niets en zien wij Gods aard en onze eigen aard alleen maar als iets onbegrijpelijks en verwarrends”.(548)­

Samenvattend kunnen we ons in het streven naar de waarheid niet eenzijdig laten leiden door de rede, maar ook niet slechts door het (schaarse) intuïtieve denken. Het ware christendom, Pascals ideaal, bestaat dan ook in onderwerping én gebruik van de rede:(269)

Als we alles ondergeschikt maken aan de rede, heeft onze godsdienst niets mysterieus en bovennatuurlijks meer. Als we ons niet aan de beginselen van de rede houden, wordt onze godsdienst ongerijmd en belachelijk.(273)

De rede is volgens Pascal veel dwingender dan een heerser, want als je de laatste niet gehoorzaamt, wordt je ongelukkig, maar dwaas als je de eerste niet gehoorzaamt.(345) Tegelijkertijd schrijft hij in navolging van Augustinus: “Het verstand zou zich nooit onderwerpen als het niet meende dat er gevallen zijn waarin het zich onderwerpen moet. Daarom is het juist dat het zich onderwerpt als het van oordeel is zich te moeten onderwerpen.”(270)

Het ware filosoferen

Dit alles overziende, zou de mens volgens Pascal iets in zich moeten hebben van een scepticus, een wiskundige en een christen. Zij belichamen namelijk drie houdingen, die heilzaam zijn voor de mens: “Men moet kunnen twijfelen waar dat nodig is, zeker zijn waar dat nodig is, en zich overgeven waar dat nodig is. Wie zo niet te werk gaat begrijpt niet wat de kracht van de rede is.”(268) Het is dus niet het geval dat alles te bewijzen is, aan alles getwijfeld dient te worden of overal aan moet worden overgegeven. Ten diepste is dit ook de aard van de mens, want “[o]ntkennen, geloven en twijfelen is voor de mens wat lopen is voor een paard”.(260)

Het is niet voor niets dat een beroemd citaat van Pascal uit de Pensées, “Je filosofeert pas echt als je maling hebt aan de filosofie.”(4), klinkt bij een behandeling van het onderscheid tussen de rede en het hart. Het ware filosoferen, dat zoals we zagen de wetenschap vanuit een humaan oogpunt beoordeelt, gebeurt met de intuïtie van het hart en niet vanuit de zuivere redelijkheid.

Na een schets van Pascals filosofie van het hart, waarin het hart en het geloof en rede elk hun eigen plaats innemen, wil ik de volgende paragraaf de onderzoeksvragen proberen te beantwoorden.

8. Conclusies

Bij de conclusies aangekomen, kan met recht de vraag worden gesteld hoe de spanning in Pascals Pensées tussen zijn scepticisme, waarin hij de menselijke rede bekritiseert en zijn apologetische motieven, waarin hij het christelijk geloof als redelijk typeert, kan worden opgelost.[57] Alvorens ik de opgeworpen onderzoeksvragen probeer te beantwoorden, dien ik zoals gezegd zijn vocabulaire nog consistent voor ogen te krijgen. Aangezien allerlei begrippen in deze scriptie schijnbaar onproblematisch door elkaar zijn gebruikt, zal het ophelderen hiervan behulpzaam zijn in het beantwoorden van de vragen.

Pascals denkende mens

Mijn, vooral op de Pensées gebaseerde, visie op Pascals denkende mens is als volgt.[58] De mens heeft verstand, hart en wil, die als volgt beschreven kunnen worden:

De wil streeft naar het geluk en heeft bepaalde wensen – namelijk in antwoord op de vraag wat geluk is – als leidende principes. Deze neiging gaat gepaard met gevoelens. De wil kan, afhankelijk van wat de persoon onder geluk verstaat, zowel betrekking hebben op natuurlijke als bovennatuurlijke zaken.

Het verstand, ook wel ‘geest’ genoemd, streeft naar kennis van de waarheid en heeft bewezen inzichten als principes. Wanneer er sprake is van bewijzen, is het verstand werkzaam door de rede. Deze leidt inzichten (waarheden) af uit gegeven principes, definities en axioma’s. Het verstand duidt Pascal soms aan met de ‘wiskundige geest’. Het verstand heeft betrekking op natuurlijke zaken.

Het hart streeft eveneens naar kennis van de waarheid en is de plaats van het instinct en de intuïtie, maar tevens de voedingsbodem voor het geloof en de daarmee samenhangende inzichten. Het hart duidt Pascal soms aan met de ‘intuïtieve geest’ en het is niet uitgesloten dat hier ook de wil onder valt. Het hart heeft betrekking op zaken die aan het natuurlijke voorafgaan of het overstijgen.

Het verstand, het hart en de wil hebben een bepaalde wisselwerking en beïnvloeden elkaar door het denken. Hoe deze wisselwerking precies plaatsheeft, wordt bij Pascal echter niet duidelijk. Andere capaciteiten van de mens die in dit alles een rol spelen, zijn zintuiglijke waarneming, voorstellings- en beoordelingvermogen en verbeeldingskracht. Tenslotte is een belangrijke notie de verdorvenheid van de mens, die zich ongetwijfeld laat gelden in het verstand, het hart en de wil en de mens op een dwaalspoor zet. In hoeverre de zonde doorwerkt, wordt in de Pensées niet expliciet uiteengezet.

Geloof, rede en denken bij Pascal

Hoe verhouden geloof, rede en denken zich nu bij Pascal? Het geloof wordt door hem omschreven als ‘God in het hart voelen’. Het is allereerst een godsgeschenk en niet het product van redelijk denken, hoewel het wel degelijk een redelijke, aannemelijke component heeft. Het laat zich niet wiskundig demonstreren, maar is gegrond in een hogere redelijkheid en daarom met redelijkheid te associëren. Voor het hart vormt het geloof het principe tot het intuïtief verstaan van natuurlijke en bovennatuurlijke waarheden. De rede is een speciale kenact van het verstand, die zich bezighoudt met het wiskundig bewijs. Zij laat zich leiden door bewijzen en streeft eveneens de waarheid na, maar slecht die met betrekking tot het natuurlijke. Het denken tenslotte wordt zowel geassocieerd met het (gelovig) hart, de rede en wellicht ook de wil, waar zij meer is dan drift. Niet voor niets stelt Pascal dat er drie vormen van kennis zijn, namelijk van het bovennatuurlijke door het hart, het intelligibele door de rede en de ervaring door ondermeer de wil. Het denken is dus zowel een act van het hart als van de rede.

De verhouding tussen geloof en rede is in mijn interpretatie van Pascal als volgt. Het geloof als principe van het hart is zowel werkzaam in de zoektocht naar het natuurlijke als het bovennatuurlijke. In het tweede ondersteunt zij het verstand door intuïtieve eerste beginselen te leveren. Andersom is de rede niet in staat bij te dragen aan het bewijzen van de bovennatuurlijke waarheid van het hart. Dit is niet zozeer een spanning of zelfs een conflict tussen geloof en rede, maar een begrenzing van het redelijke denken. Israel geeft in zijn Radical Enlightenment naar mijn mening dan ook een ietwat ongenuanceerd beeld van Pascal als hij stelt dat hij onder invloed van de ‘crisis of the European mind’ “painstakingly rescues and reaffirms his Christian faith by dividing reality into totally separate compartments”.[59] Waar het in het midden van de zeventiende eeuw een trend was de religie te rationaliseren, zou Pascal deel uitmaken van een stroming die ‘l’irrationalisation de la religion’ voorstond. Beide opmerkingen lijken mij gezien het bovenstaande niet volledig.

In welke zin is deze verhouding vervolgens te typeren als scepticisme? Naar Popkins definitie van scepticisme, die ik in de inleiding aanhaalde – “a philosophical view that raises doubts about the adequacy or reliability of the evidence that could be offered to justify any proposition” – moet Pascal inderdaad worden gezien als een scepticus. We hebben gezien dat hij naast de rede de aantrekkingskracht van de wil stelt, het denken als eenvoudig af- en misleidbaar typeert, het correcte denken op God richt, het denken op natuurlijk en bovennatuurlijk terrein een grens stelt en de menselijke rede als verdorven door de zonde ziet. Al deze bijwerkingen van de rede zullen op één of andere wijze twijfel doen rijzen over de adequaatheid en betrouwbaarheid van onze kennis. Daarnaast ruimt Pascal een belangrijke plaats in voor het hart, dat hij nadrukkelijk ervaart als een domein dat de rede ‘een toontje lager doet zingen’. Het hart heeft immers zijn redenen, die de rede niet kent. Als ons doel is de waarheid te kennen en zaken daartoe bij dienen te dragen aan ons heil, wordt de rede aanzienlijk in diskrediet gebracht. Let wel; Pascal is slechts sceptisch over de mogelijkheid álles redelijk te doorgronden. Het is naar de aard van de rede te erkennen dat er zaken zijn die haar te boven gaan.

En in welke zin is deze verhouding te typeren als fideïsme? Als ik wederom de definitie van Popkin hierbij betrek – “who are sceptics with regard to the possibility of our attaining knowledge by rational means, without our possessing some basic truths known by faith” – lijk ik Pascal ook te moeten typeren als een fideïst. We hebben net gezien dat het geloof bij Pascal noodzakelijk is voor het kennen van de bovennatuurlijke waarheden, maar het door geloof gedreven hart tevens de intuïtieve basisprincipes aan het redelijk denken levert. Het is echter maar net de vraag welke verschillen er bestaan in basisintuïties van een theïstisch en een deïstisch of atheïstisch hart, iets dat Pascal niet invult. Een stelling als van Cassirer, die stelt dat de thesis die Pascal verdedigt “is the absolute powerlessness of reason which is incapable of any kind of certainty by its own efforts, and which can arrive at the truth only by means of an unconditional surrender to faith”,[60] lijkt me dan ook erg kort door de bocht. Afgaande op de definitie van fideïsme van Willemsen – “een aanduiding voor de visie dat religieuze waarheden slechts door geloof en niet door middel van de rede gekend kunnen worden” – is Pascal wel degelijk een fideïst. Er blijft voor hem een duidelijke laatste stap van het redelijk denken, die stelt dat er meer is onder én boven de zon en het (wiskundig) bewijzen van bovennatuurlijke waarheden houdt hij voor onmogelijk.

Concluderend hangt het – vanzelfsprekend – van de definities van scepticisme en fideïsme af in hoeverre Pascal hiertoe te rekenen is. Nu we de contouren van zijn denken over geloof en rede hebben geschetst, kunnen beide in ieder geval niet worden ontkend. Hoewel Pascal om ruimte te maken voor het geloof uitvalt tegen de rede, ontkent hij nooit haar belang en kracht. Pascal is zowel een defensor fidei als een defensor rationis.[61] Een gematigd fideïsme en scepticisme passen Pascal mijns inziens daarom het best. De periode van de Pensées wordt dan ook niet gekenmerkt door een ontkenning van een legitieme autoriteit van de rede, maar zoals Kolakowski schrijft “rather a repeatedly stated mistrust of science in moral terms: confronted with what really matters in life, our salvation, science simply brings little profit”.[62]

Pascals betekenis voor de filosofie

Wat betekent dit alles ten slotte voor Pascals visie op filosofie en wat leert de filosofie hier vandaag de dag van? Wat rest ons met andere woorden in het post-Cartesiaanse universum?[63] Als de filosofie slechts de bezigheid is de werkelijkheid als een machine in elkaar te zetten, is zij het volgens Pascal niet waard beoefend te worden. Hoewel hij weinig op heeft met de filosofie als wetenschappelijke discipline, beschouwt hij het als een zelfverstaan om de betekenis van wetenschappelijke vindingen te doordenken. Kennis die niet existentieel op de mens wordt betrokken, is van generlei waarde. Bovendien is de rede zélf niet in staat de waarde van haar denken te bepalen, maar heeft hier het hart bij nodig. Het hart is niet alleen de bron van zekerheden op natuurlijk gebied, maar van levensbelang als we ons levensdoel in ogenschouw nemen. Men filosofeert dus pas echt als men tegelijkertijd maling heeft aan de filosofie en ruimte schept voor de intuïtie van het hart. Filosofie bij Pascal heeft veel weg van een existentiële filosofie, die doordenkt wat goed is voor de mens en zijn heil.

Niet elke filosoof zal deze religieuze component in Pascals filosofie nog van belang achten. Wat overigens een stellingname is die hij typeert als ongelukkig én dwaas. Toch is er naar mijn mening voor alle filosofie, uit welke levensbeschouwing dan ook, lering te trekken uit Pascals denken. Van groot belang is zijn stelling dat er zaken zijn die rede te buiten en te boven gaan, die wel degelijk van belang zijn. Ook de daaraan verbonden gedachte dat het juist redelijk is als de rede deze grenzen erkent, acht ik zinvol. In deze visie kan de filosofie nooit uitgaan van een autonome, alles beheer-sende rede. Ook Pascals notie van het hart als een instantie met een eigen vorm van kennis en de capaciteit zaken naar waarde te schatten, is van belang. Het leert dat niet alle kennis rationeel van aard hoeft te zijn en tevens elke werkelijkheidsbeschouwing rekening zal moeten houden met de menselijke waarde.

Het zijn al deze lofuitingen en goedkeuringen, maar ook verwijten en berispingen van de rede, die Sjestov “de paradoxaliteit, maar tevens ook de heele aantrekkingskracht van zijn philosophie” heeft genoemd.[64]


Eindnoten

[1] Vert.: “het hart heeft zijn redenen, die de rede niet kent”.

[2] Pierre Bayle, Dictionnaire Historique et Critique III (P. Brunel, et al: Amsterdam/Leiden/Den Haag/Utrecht, 1740), 604. Vert.: “één van de meest sublieme Geesten van de wereld”.

[3] Anthony McKenna, De Pascal à Voltaire: Le rôle des Pensées de Pascal dans l’histoire des idées entre 1670 et 1734 (The Voltaire Foundation: Oxford, 1990).

[4] Paul Hazard, The European Mind. 1680-1715 (Penguin University Books: Middlesex/Victoria, 1973), 173.

[5] Bayle, Dictionnaire Historique et Critique III, 604. Vert.: “die nooit een andere leermeester heeft gehad dan zijn vader”.

[6][6]   P. van der Hoeven, Blaise Pascal (Het Wereldvenster: Baarn, 1964), 7-9.

[7] E.J. Dijksterhuis, ‘De betekenis van de wis- en natuurkunde voor het leven en denken van Blaise Pascal’, in: Mededelingen der Koninklijke Nederlandsche Akademie van Wetenschappen 14 (N.V. Noord-Hollandsche Uitgevers Maatschappij: Amsterdam, 1951), 339.

[8] Van der Hoeven, Blaise Pascal, 15.

[9] Roger Scruton, Moderne filosofie. Van Descartes tot Wittgenstein (Erven J. Bijleveld: Utrecht, 2006), 62.

[10] ‘Le Mémorial’, in: Œvres complètes III (Desclée de Brouwer: Parijs, 1991), 50-51. Vertaling Frank de Graaff: Blaise Pascal, Gedachten (Boom: Amsterdam, 2004), 398-399. Enkele precieze datum- en tijdsaanduidingen aan het begin zijn weggelaten, evenals de verwijzingen naar Schriftpassages. Vert. latijnse citaten: “naar mijn God en uw God”, “mij hebben ze verlaten, de bron van levend water” en “uw woord zal ik nooit vergeten”.

[11] Dijksterhuis, ‘De betekenis van de wis- en natuurkunde’, 344.

[12] Jean Mesnard, ‘Blaise Pascal’, in: Friedrich Uebergweg (Jean-Pierre Schobinger), Grundriss der Geschichte der Philosophie, Die Philosophie des 17. Jahrhunderts II (Schwabe & Co Ag Verlag: Basel, 1993), 565. Vert.: “als één van de meest beduidende persoonlijkheden en één van de grootste denkers van zijn tijd bekend”.

[13] Harry Willemsen, Woordenboek filosofie (Van Gorcum: Assen, 1992), 153.

[14] Tertullianus, Proces tegen de ketters, in: H.U. Meyboom (red.), Oud-Christelijke Geschriften in Nederlandse vertaling XLII, Tertullianus (A.W. Sijthoff: Leiden, 1929)

[15] Richard Popkin, The History of Scepticism. From Savonarola to Bayle (Oxford University Press: Oxford/New York, 2003), xxi.

[16] José R. Maia Neto, The Christianization of Pyrrhonism. Scepticism and Faith in Pascal, Kierkegaard, and Shestov (Kluwer Academic Publishers: Dordrecht, 1995), xii.

[17] Leszek Kolakowski, God Owes Us Nothing. A Brief Remark on Pascal’s Religion and on the Spirit of Jansenism (University of Chicago Press: Chicago/London, 1995), 224.

[18] Bertrand Russell, Geschiedenis van de westerse filosofie (Servire: Utrecht, 2006), 796-797.

[19] Verwijzingen naar de Pensées worden gegeven in subscript en tussen haakjes. De gebruikte vertaling is die van de eerder aangehaalde Frank de Graaff. Ik gebruik echter niet de door hem gevolgde nummering Lafuma, maar de veel meer gangbare editie Brunschvig. Een conversietabel vindt men achterin zijn Gedachten. Waar De Graaff ‘la raison’ zowel met ‘het verstand’ als ‘de rede’ vertaalt, kies ik consequent voor de laatste vertaling om verwarring te voorkomen.

[20] Leo Sjestow, Crisis der zekerheden. Pascal, Dostojewsky, Husserl (Rozenbeek & Venemans: Hilversum, 1984), 10.

[21] E.J. Dijksterhuis, De mechanisering van het wereldbeeld (Meulenhoff: Amsterdam, 1975), § 194.

[22] Scruton, Moderne filosofie, 45.

[23] Han van Ruler, De uitgelezen Descartes (Lannoo/Boom: Tielt/Amsterdam, 1999), 68.

[24] Dijksterhuis, De mechanisering van het wereldbeeld, § 261vv.

[25] ‘Correspondance de Pascal avec le P. Noël’ [2], in: Œvres complètes II (Desclée de Brouwer: Parijs, 1970), 519. Vert.: “en wij maken een uitzondering voor de mysteriën van het geloof, die de Heilige Geest aan ons openbaart, waaraan we onze geest dienen te onderwerpen en het ons mogelijk maken te geloven in mysteriën die voor onze zinnen en rede verborgen zijn”.

[26] Idem, 523. Vert.: “wij vinden geen enkele grondslag in de autoriteiten: wanneer wij de auteurs aanhalen, halen wij hun bewijzen aan en niet hun namen”.

[27] Dijksterhuis, De mechanisering van het wereldbeeld, § 277.

[28] Pierre Force, ‘Pascal and the philosophical method’, in: Nicholas Hammond (red.), The Cambridge Companion to Pascal (Cambridge University Press: Cambridge, 2003), 216vv.

[29] Ernst Cassirer, The Philosophy of the Enlightenment (Princeton University Press: Princeton, 1951), 15-16.

[30] De l’esprit géométrique, in: Œvres complètes III, 391. Vert.: “de ware methode om het redeneren op elk terrein te leiden”.

[31] Mesnard, ‘Blaise Pascal’, 557.

[32] ‘Lettre de monsieur Pascal à monsieur de Fermat’, in: Œvres complètes IV (Desclée de Brouwer: Parijs, 1992), 923. Vert. : “om vrijuit tot u te spreken over de geometrie, vind ik het de hoogste oefening van de geest, maar tegelijkertijd weet ik dat het zo nutteloos is”.

[33] P. Blokhuis, ‘Over de plaats van de rede bij Pascal’, in: P. Blokhuis, B. Kee, J.H. Santema en E. Schuurman, Wetenschap, wijsheid, filosoferen (Van Gorcum: Assen, 1981), 205-207.

[34] De l’esprit géométrique, in: Œvres complètes III, 395. Vert.: “in het verder en verder doorvoeren van de onderzoeken komt men noodzakelijk uit bij primitieve woorden die niet langer gedefinieerd kunnen worden en bij zulke heldere principes dat men geen andere kan vinden die als bewijs ervoor kunnen dienen. Dus het blijkt dat de mens van nature en blijvend onvermogend is om enige wetenschap zo te behandelen dat het een absoluut complete orde is”.

[35] Mesnard, ‘Blaise Pascal’, 557.

[36] Sjestow, Crisis der zekerheden, 16.

[37] Jean Kalfa, ‘Pascal’s theory of knowledge’, in: Hammond, The Cambridge Companion to Pascal, 124, 128.

[38] Theo de Boer, De God van de filosofen en de God van Pascal. Op het grensgebied van filosofie en theologie (Meinema: Zoetermeer, 2005), 16-31.

[39] Popkin, The History of Scepticism, 181.

[40] Kalfa, ‘Pascal’s theory of knowledge’, 124.

[41] H.J. Adriaanse, ‘Pascal: Onorthodoxe orthodoxie’, in: E.P. Bos (red.), Onze eigen God. Onorthodoxe godsvoorstellingen in de westerse wijsbegeerte (Universitair Grafisch Bedrijf: Leiden, 1997). 36.

[42] R. Hooykaas, Religion and the Rise of Modern Science (Scottish Academic Press: Edinburg/London, 1984), 45.

[43] Cassirer, The Philosophy of the Enlightenment, 142.

[44] Pascal, Gedachten, 477-478.

[45] Kolakowski, God Owes Us Nothing, 144.

[46] Richard Popkin, ‘Fideism’, in: Paul Edwards (red.), The Encyclopedia of Philosophy (Macmillan: New York/London, 1967), 201-202.

[47] Daniel C. Fouke, ‘Argument in Pascal’s Pensées’, in: Vere Chappell, Essays on Early Modern Philosophers from Descartes and Hobbes to Newton and Leibniz 4: Port-Royal to Bayle (Garland Publishing Inc.: New York/London, 1992), 144-146.

[48] Dijksterhuis, ‘De betekenis van de wis- en natuurkunde’, 353.

[49] Cassirer, The Philosophy of the Enlightenment, 142.

[50] ‘Pascal’s Wager’, Stanford Encyclopedia of Philosophy, <plato.stanford.edu/entries/pascal-wager> (bezocht december 2008) analyseert dit argument zeer uitvoerig, inclusief een statistische analyse.

[51] Kalfa, ‘Pascal’s theory of knowledge’, 127.

[52] Mesnard, ‘Blaise Pascal’, 554-555.

[53] Jonathan I. Israel, Radical Enlightenment. Philosophy and the Making of Modernity 1650-1750 (Oxford University Press: Oxford/New York, 2002), 474.

[54] Adriaanse, ‘Pascal: Onorthodoxe orthodoxie’, 39.

[55] Mesnard, ‘Blaise Pascal’, 564.

[56] Bayle, Dictionnaire Historique et Critique III, 604. Vert.: “hij onderscheidde levenslang nauwgezet de rechten van het Geloof van die van de Rede”.

[57] Fouke, ‘Argument in Pascal’s Pensées’, 143.

[58] Met dank aan Blokhuis, ‘Over de plaats van de rede bij Pascal’, 205-207.

[59] Israel, Radical Enlightenment, 20. Zijn latere opmerking dat Pascal “firmly separated the world of science from religion, claiming that the one, the sphere of reason, is no guide tot the other, a realm which we ‘know’ only through the heart and our emotions. There is another and higher sphere which reason and science cannot penetrate” (idem, 473-474) lijkt me overigens wel correct.

[60] Cassirer, The Philosophy of the Enlightenment, 142.

[61] Kolakowski, God Owes Us Nothing, 172.

[62] Idem, 157.

[63] Idem, 149, 135.

[64] Sjestow, Crisis der zekerheden, 34.


Literatuur

Adriaanse, H.J., ‘Pascal: Onorthodoxe orthodoxie’, in: E.P. Bos (red.), Onze eigen God. Onorthodoxe godsvoorstellingen in de westerse wijsbegeerte (Universitair Grafisch Bedrijf: Leiden, 1997).

Bayle, Pierre, Dictionnaire Historique et Critique III (P. Brunel, et al: Amsterdam/Leiden/Den Haag/Utrecht, 1740).

Blokhuis, P., ‘Over de plaats van de rede bij Pascal’, in: P. Blokhuis, B. Kee, J.H. Santema en E. Schuurman, Wetenschap, wijsheid, filosoferen (Van Gorcum: Assen, 1981).

Boer, Theo de, De God van de filosofen en de God van Pascal. Op het grensgebied van filosofie en theologie (Meinema: Zoetermeer, 2005).

Cassirer, Ernst, The Philosophy of the Enlightenment (Princeton University Press: Princeton, 1951).

Chappell, Vere, Essays on Early Modern Philosophers from Descartes and Hobbes to Newton and Leibniz 4: Port-Royal to Bayle (Garland Publishing Inc.: New York/London, 1992).

Dijksterhuis, E.J., ‘De betekenis van de wis- en natuurkunde voor het leven en denken van Blaise Pascal’, in:Mededelingen der Koninklijke Nederlandsche Akademie van Wetenschappen 14 (N.V. Noord-Hollandsche Uitgevers Maatschappij: Amsterdam, 1951).

Dijksterhuis, E.J., De mechanisering van het wereldbeeld (Meulenhoff: Amsterdam, 1975).

Force, Pierre, ‘Pascal and the philosophical method’, in: Hammond (red.), The Cambridge Companion to Pascal(2003).

Fouke, Daniel C., ‘Argument in Pascal’s Pensées’, in: Chappell, Essays on Early Modern Philosophers from Descartes and Hobbes to Newton and Leibniz 4: Port-Royal to Bayle (1992).

Hammond, Nicholas (red.), The Cambridge Companion to Pascal (Cambridge University Press: Cambridge, 2003)

Hazard, Paul, The European Mind. 1680-1715 (Penguin University Books: Middlesex/Victoria, 1973).

Hoeven, P. van der, Blaise Pascal (Het Wereldvenster: Baarn, 1964).

Hooykaas, R., Religion and the Rise of Modern Science (Scottish Academic Press: Edinburg/London, 1984).

Israel, Jonathan I., Radical Enlightenment. Philosophy and the Making of Modernity 1650-1750 (Oxford University Press: Oxford/New York, 2002).

Kalfa, Jean, ‘Pascal’s theory of knowledge’, in: Hammond (red.), The Cambridge Companion to Pascal (2003).

Kolakowski, Leszek, God Owes Us Nothing. A Brief Remark on Pascal’s Religion and on the Spirit of Jansenism (University of Chicago Press: Chicago/London, 1995).

McKenna, Anthony, De Pascal à Voltaire: Le rôle des Pensées de Pascal dans l’histoire des idées entre 1670 et 1734(The Voltaire Foundation: Oxford, 1990).

Mesnard, Jean, ‘Blaise Pascal’, in: Friedrich Uebergweg (Jean-Pierre Schobinger), Grundriss der Geschichte der Philosophie, Die Philosophie des 17. Jahrhunderts II (Schwabe & Co Ag Verlag: Basel, 1993).

Neto, José R. Maia, The Christianization of Pyrrhonism. Scepticism and Faith in Pascal, Kierkegaard, and Shestov(Kluwer Academic Publishers: Dordrecht, 1995).

Pascal, Blaise, Œvres complètes II-IV (Desclée de Brouwer: Parijs, 1970-1992).

Pascal, Blaise, Gedachten (Boom: Amsterdam, 2004).

Popkin, Richard, ‘Fideism’, in: Paul Edwards (red.), The Encyclopedia of Philosophy (Macmillan: New York/London, 1967).

The History of Scepticism. From Savonarola to Bayle (Oxford University Press: Oxford/New York, 2003).

Scruton, Roger, Moderne filosofie. Van Descartes tot Wittgenstein (Erven J. Bijleveld: Utrecht, 2006).

Sjestow, Leo, Crisis der zekerheden. Pascal, Dostojewsky, Husserl (Rozenbeek & Venemans: Hilversum, 1984).

Tertullianus, Proces tegen de ketters, in H.U. Meyboom (red.), Oud-Christelijke Geschriften in Nederlandse vertalingXLII, Tertullianus (A.W. Sijthoff: Leiden, 1929).

Ruler, Han van, De uitgelezen Descartes (Lannoo/Boom: Tielt/Amsterdam, 1999).

Russell, Bertrand, Geschiedenis van de westerse filosofie (Servire: Utrecht, 2006).

Willemsen, Harry, Woordenboek filosofie (Van Gorcum: Assen, 1992).


Download

De filosofie van het hart. Scepticisme en fideïsme bij Pascal

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s