Calvijn en economie

Calvijn

Calvijn

Volgens premier Balkenende [1] dankt Nederland veel aan Johannes Calvijn (1509-1564). Het Calvijnjaar 2009 is zijn inziens een kans om deze grote denker te eren, die – zonder clichés – actuele betekenis heeft, zelfs in tijden van de kredietcrisis. Balkenendes hoofdstelling is “dat het open en vrije karakter van de Nederlandse samenleving niet tegenstrijdig is aan het werk van Calvijn en het calvinisme, maar er eerder schatplichtig aan is”. Hij baseert dit op de waarneming dat Calvijns bijbels gefundeerde theologie tevens maatschappelijke consequenties had, bijvoorbeeld voor de ontwikkeling van de moderne markteconomie. Calvijn keerde zich tegen woeker, stond het vragen van rente op geld toe en was niet vies van het verdienen van geld. Het was Max Weber die reeds een bevorderend verband zag tussen protestante ethiek (eigen verantwoordelijkheid, soberheid, het belang van arbeid) en het kapitalisme. Balkenendes conclusie luidt dat er morele ankerpunten zijn te vinden in Calvijns theologie die ons kunnen steunen in de economische en financiële crisis.

Een soortgelijke conclusie werd eerder getrokken door de econoom Johan Graafland [2]. Ook hij ziet Calvijns economische inzichten als een belangwekkend ‘bijproduct’ van zijn theologie. Met name moeten worden genoemd zijn legitimering van rente en daarmee de rol van geld in de economie en tegelijkertijd de strikte eisen aan het uitlenen van geld. Deze “voorwaarden en beperkingen die Calvijn oplegde aan bankieren”, stelt Graafland, “zijn nog steeds actueel en kunnen steun bieden bij het ontwerpen van regels om ontsporingen in het financieel systeem te voorkomen”.

Een mooi overzichtswerk van Calvijns visie op economie – en ik vermoed dat Graafland hier uit put – wordt gevormd door P.A. Diepenhorsts Calvijn en de economie [3]. Hij typeert dit proefschrift als een ‘historisch economische studie’ en dus niet als een stelsel van economie op Calvinistische grondslag. Hoe dan ook, Calvijns geschriften beschouwt hij als “een goudmijn van gedachten, die voor de economie van het hoogste gewicht zijn” (21). Hij meent deze gedachten te kunnen groeperen in de categorieën rente, koophandel en menselijk beroep, weelde en communisme. Diepenhorsts samenvatting van dit alles:

Hij was de eerste, die met klare bewustheid positie koos tegenover de dwaling van zijnen tijd, aan het renteverbod allen redelijken grondslag ontnam en met onberispelijke logica het geoorloofde der rente handhaafde op eene wijze, die ook thans nog onovertrefbaar moet worden genoemd. De handel werd door hem in eere hersteld, en alle menschelijk bedrijf ontving door zijne leer nieuwen luister, door op het aardsche beroep den glansch der Goddelijke roeping te doen afstralen. De teugelloosheid van het vleesch bestreed hij in zijnen kamp tegen Libertijnsche losbandigheid met onverdroten vastberadenheid, maar daar naast teekende hij met even mannelijken ernst verzet aan tegen hen, die alle weelde uit dit leven wilden bannen. Van Doopersche mijding in het gebruik der aardsche goederen was hij afkeerig. Tegen het Communisme richtte hij een zijner schitterendste strijdschriften, en in eene eeuw toen menigerlei dwaling omtrent den eigendom in alle kringen ingang vond, heeft hij dit instituut op vasten grondslag gesteld. (306-307)

De conclusie moet zijn dat Calvijn economisch denken en economische ontwikkeling niet vreemd was.* Iemand die hier helemaal in meegaat is Cor Verkade. In de eenmalig verschenen glossy Calvijn! [4] presenteert hij zich als een ‘calvinistisch belegger, reformatorisch Bourgondiër’, blijkbaar consistente typeringen. Volgens Verkade viert Calvijn het leven, getuige zijn uitspraak “De dingen zijn ons niet alleen geschapen voor het nut, maar ook voor het genoegen”. Geld stinkt daarom niet, want “oppotten, geldgierig zijn, staat haaks op hoe God de economie bedoeld heeft”.

[1]  J.P. Balkenende, ‘Dit land dankt zoveel aan Calvijn’, Trouw, 11 januari 2009.
[2]  J. Graafland, ‘De leefregels van Calvijn bieden actuele handleiding voor ontspoorde bankiers’, Me Judice 1, 21 november 2008.
[3]  P.A. Diepenhorst, Calvijn en de economie (Wageningen: N.V. Drukkerij ‘Vada’, 1904). De getallen tussen haakjes verwijzen naar de pagina’s van deze editie.
[4]  www.calvijnglossy.nl

* De gedachte van Herbert Spencer in zijn The Study of Sociology dat het idee van Gods voorzienigheid, zoals door Calvijn geleerd, een economische wetenschap belet, wordt door Diepenhorst dan ook bestreden. Juist het idee dat de gehele geschapen kosmos is onderworpen aan een goddelijke orde maakt structurele wetenschap mogelijk (vgl. de Wijsbegeerte der Wetsidee van Herman Dooyeweerd): “Vastheid en eenheid is de levensvoorwaarde voor de wetenschap. Welnu de Calvinistische belijdenis zegt, dat in alles vastheid en regelmaat schuilt. Dit juist doet den zin naar wetenschap geboren worden, en maakt ware wetenschap mogelijk”. (318)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s