‘Goddelycke œconomie’. Economische goddelijke voorzienigheid en de commercialisering van het leven

Tucker

I.

Ruilhandel en koophandel zijn van alle tijden. Diep in de menselijke natuur, aldus Adam Smith, bevindt zich een neiging tot ruilen, handelen en het uitwisselen van het ene goed tegen het andere. Deze geneigdheid komt niet ongelegen, aangezien de mens al sinds het verlaten van het aardse paradijs wordt geconfronteerd met het economische probleem van schaarste. Omdat de mens zonder uitwisseling van goederen en diensten niet kan overleven, wordt al sinds mensenheugenis handel gedreven. Wat echter radicaal verandert in de geschiedenis van de westerse beschaving is de plaats en waardering van handel. Wat het eerste betreft heeft handel zeer lang in een kwaad daglicht gestaan. Invloedrijke denkers als Plato, Aristoteles, Augustinus en Thomas van Aquino, om slechts enkele namen te noemen, waren niet onverdeeld positief over deze basale menselijke neiging. Handel werd in de klassieke oudheid en Middeleeuwen niet zelden geassocieerd met het rijk van de ondeugd en de zonde, met name als het handel drijven met het oog op winst betrof. De koopman stond dan ook zeer laag in aanzien.

De plaats van handel in de premoderne samenleving was evenmin vooraanstaand. Niet handel maar landbouw werd gezien als de methode om het schaarsteprobleem te bestrijden. Uiteraard zijn markten geen recente ontwikkeling, maar handel was simpelweg een secundaire activiteit die hooguit diende ter distributie van landbouw- en verkoop van luxegoederen. In de vroegmoderne periode zouden deze opvattingen fundamenteel veranderen. Tegen het einde van de achttiende eeuw werden koophandel en commercie als beschavende activiteiten gezien, werd de koopman geprezen om de waardigheid van zijn beroep en werd niet langer landbouw maar commerciële expansie beschouwd als de sleutel tot welvaart. [i]

Dit alles roept natuurlijk de vraag op waar deze totale omkering van economische ideeën en praktijk vandaan kwam. Hoe is het mogelijk dat eeuwenoude opvattingen over de plaats en waardering van handel binnen enkele eeuwen zo drastisch wijzigden? Charles Taylor, een hedendaagse zwaargewicht in het onderzoek naar de Westerse intellectuele geschiedenis, ziet hierin een cruciale rol weggelegd voor de Reformatie. Doordat in de Protestantse theologie het onderscheid tussen het profane en het sacrale (ofwel het gewone, lagere leven van productie en reproductie en het goede, hogere leven van contemplatie en ascese) werd opgeheven, werd ruimte gemaakt voor een ongekende bevestiging van het gewone leven (affirmation of ordinary life). De economische aspecten van het leven die voorheen als ondergeschikt en hooguit als ondersteunend voor het goede leven werden gezien, konden vanaf nu evengoed deel uitmaken van het goede leven wanneer zij werden aangewend tot de glorie van God. Een gevolg van deze bevestiging van het alledaagse, door Taylor beschouwd als een van de krachtigste ideeën in de moderne beschaving, is een nieuwe waardering van het commerciële leven. Ook het idee dat er zoiets is als het ‘economische’ (een economisch aspect van het leven) of een ‘economie’ (een geïsoleerd domein van productie, uitwisseling en consumptie) worden door hem toegeschreven aan de Protestantse reformatie van het denken. Zelfs de moderne commerciële samenleving, zo betoogt Taylor in een later boek, ontstaan door een geleidelijke promotie van het economische, wortelt in het Protestantisme. [ii]

Het idee van een heiliging van het gewone leven, door Taylor aangeduid als een “spirituele factor” voor de opkomst van de commerciële samenleving, roept sterke associaties op met de zogenaamde Weber-these. In zijn beroemde Die protestantische Ethik und die Geist des Kapitalismus (1904) introduceerde Max Weber de stelling dat er een verband zou kunnen bestaan tussen de opkomst van het Protestantisme en de opkomst van het kapitalisme. Volgens Weber bevorderden en rechtvaardigden de ethische opvattingen van het (ascetische) Protestantisme een kapitalistische geesteshouding (Geist des Kapitalismus), waarin een ongelimiteerd streven naar welvaart als hoogste levensdoel werd beschouwd. De omslag van een pre-kapitalistische geesteshouding met haar morele afkeer van hebzucht, woeker en niet-noodzakelijk geldelijk gewin naar het kapitalistische denken werd uiteraard niet bewust aangemoedigd door Protestantse theologen, maar moet volgens Weber veeleer worden gezien als een onvoorzien en ongewenst nevenproduct van de Protestantse arbeidsethiek. “[D]ie religiöse Wertung der rastlosen, stetigen, systematischen, weltlichen Berufsarbeit als schlechthin höchsten asketischen Mittels und zugleich sicherster und sichtbarster Bewährung des wiedergeborenen Menschen und seiner Glaubensechtheit”, zo vat hij samen, “mußte ja der denkbar mächtigste Hebel der Expansion jener Lebensauffassung sein, die wir hier als ‘Geist’ des Kapitalismus bezeichnet haben”. [iii]

Het vernieuwende aan Webers analyse van de opkomst van het kapitalisme was dat hij probeerde te komen tot een culturele verklaring van economische verandering. Hij brengt immers de opkomende geest of ethos van het kapitalisme in verband met de ethische opvattingen van de Protestante theologie. Dit cultuurhistorische element bij Weber onderscheidt zijn werk duidelijk van dat van Karl Marx, die eveneens probeerde het kapitalisme te doorgronden maar dan in puur economische termen. In Marx’ historisch-materialistische geschiedbeschouwing wordt de dynamiek van de geschiedenis niet gesitueerd in ideeën, maar in de manier waarop mensen de bevrediging van hun materiële behoeften vormgeven. Het kapitalisme is voor hem slechts een stadium van een samenleving die onder invloed van interne spanningen tussen klassen en hun productierelaties op dialectische wijze evolueert. Hoe interessant en invloedrijk ook, Marx’ opvatting dat menselijke bewustzijn, waarden en ideeën onzelfstandig zijn en slechts voortkomen uit de economische onderbouw lijkt achterhaald te zijn. Niet alleen Weber en Taylor, maar ook J.G.A. Pocock, C.B. Macpherson en Albert Hirschman – om slechts enkele namen te noemen – hebben overtuigend laten zien dat de materialistische verklaring voor de opkomst van het kapitalisme niet uitputtend is en moet worden aangevuld met religieuze, sociale en politiek-filosofische factoren. Een belangrijk inzicht dat op het conto van Weber kan worden geschreven is dat ideeën er toe doen in de geschiedenis van de economie. Want in de opkomst van het kapitalisme, zo stelt Joyce Appleby in haar recente boek, moeten voedende theorieën, ideeën en waarden een belangrijk rol hebben gespeeld. De meedogenloze revolutie van het kapitalisme vroeg mensen immers om van gedachten te veranderen over fundamentele kwesties. [iv]

II.

In het vervolg van deze paper wil ik het evenwel niet hebben over de opkomst van het kapitalisme, maar over de eerder beschreven commercialisering van het leven, die er weliswaar deel vanuit maakt maar er niet mee samenvalt. Onder deze commercialisering versta ik enerzijds de nieuwe, hoge waardering die wordt toegekend aan commerciële activiteiten als markten en koophandel en anderzijds de economisering van de samenleving tot een politieke economie. De commercialisering van het leven is niet slechts een abstract concept, maar komt tot uiting in tal van economische ontwikkelingen in de vroegmoderne periode. Zo was er in West-Europa (waar ik mij in deze paper op concentreer) een spectaculaire groei van nationale en internationale markten voor voedsel, grondstoffen en luxegoederen; werden talloze handelscompagnieën opgericht om internationale handel te drijven in Azië, Afrika en Amerika; nam het aantal mensen dat werkzaam was in de landbouw sterk af ten gunste van commerciële en industriële bedrijfstakken; werden in alle West-Europese landen centrale banken opgericht om het geldwezen te reguleren; en kwam in Engeland de industriële revolutie op gang. Economische reflectie was niet langer voorbehouden aan theologen, maar werd in toenemende mate beoefend door pamflettisten, kooplieden, politici en filosofen. Hoewel er volgens sommige historici pas sprake was van economische wetenschap in het werk van Adam Smith, werd in de vroegmoderne periode eveneens de basis gelegd voor de moderne economie. In de zeventiende eeuw muntte Antoine de Montchretien het begrip politique économie en ontdekte William Petty zijn political aritmetick, en in de achttiende eeuw werden de eerste leerstoelen voor Kameralwissenschaft opgericht in de Duitstalige landen, verschenen de eerste economische tijdschriften, en vormden de fysiocraten in Frankrijk onder leiding van François Quesnay de eerste ‘school’ in het economisch denken.

Alhoewel de Weber-these ook wat betreft de commercialisering van het leven als verklaringsmodel zou kunnen dienen, moet er mijns inziens een nieuwe religieuze factor worden geïntroduceerd. Parallel aan de oprukkende economisering werd namelijk steeds frequenter gebruik gemaakt van economische argumenten gebaseerd op het idee van goddelijke voorzienigheid. Volgens deze christelijke (maar sterk door het stoïcisme beïnvloedde) doctrine heeft God Zijn schepping niet aan het toeval overgelaten, maar bestuurt, begeleidt en verzorgt Hij deze nog altijd. De laat zestiende-eeuwse Heidelberger Katechismus, een van de meest invloedrijke leerboeken van de kerk van de Reformatie, definieert de voorzienigheid van God bijvoorbeeld als volgt: “Die allmechtige und gegenwertige kraft Gottes, durch welche er himel und erde, sampt allen creaturen, gleich als mit seiner hand noch erhelt, und also regiert, daß laub und graß, regen und dürre, fruchtbare und unfruchtbare jar, essen und trincken, gesundheit und kranckheit, reichthumb und armut, und alles nicht one gefehr, sonder von seiner väterlichen hand uns zukomme”. Het voorzienigheidsgeloof was overigens niet voorbehouden aan het Protestantisme, maar werd gedurende de vroegmoderne periode binnen alle christelijke denominaties beleden. Sterker nog, het idee van goddelijke voorzienigheid was een centraal element in het vroegmoderne wereldbeeld. Om verklaring vragende natuurlijke fenomenen en historische ontwikkelingen werden zonder schroom aan de goddelijke regering van de wereld toegeschreven. Want als volgens de Heilige Schrift geen haar van ons hoofd valt buiten de wil van God om, moet dit eveneens gelden op een grotere schaal. Met het oog op Gods zorg voor en bemoeienis met de wereld werd daarnaast verondersteld dat achter alles een diepere betekenis schuilt gaat. De hand van de schepper en onderhouder zou immers zichtbaar moeten zijn in zijn werken. Bestudering van het ‘boeck der natuere’, waarin God zich evengoed openbaart, werd daarom geacht het bestaan van God aannemelijk te maken en de mens op het spoor te brengen van Gods bedoelingen. [v]

Gelet op het feit dat de voorzienigheid van God voor de vroegmoderne mens een alomtegenwoordige realiteit was, hoeft het niet te verbazen dat het voorzienigheidsdenken ook een economische toepassing kende. Reeds in de klassieke oudheid, het vroege christendom en de Middeleeuwen deden ideeën over Gods betrokkenheid op het economisch domein de ronde. Het uitzonderlijke aan de vroegmoderne periode is echter de wijdverbreidheid van dergelijke ideeën enerzijds en de functionele toepassing ervan anderzijds. Talloze schrijvers in alle denkbare economische denkrichtingen voorafgaand aan de klassieke school van Adam Smith (zoals het Engelse mercantilisme, Franse colbertisme en de fysiocratie, Duitse kameralisme en de Schotse politieke economie) refereren aan ‘economische goddelijke voorzienigheid’. In sommige gevallen maken dergelijke ideeën deel uit van theologische exercities die Gods intelligente ontwerp roemen, maar minstens zo vaak ook om economische theorieën en voorstellen kracht bij te zetten. Opvallend aan al deze toepassingen van de voorzienigheidsdoctrine op het economische domein is de positieve toon die wordt aangeslagen wat betreft koophandel, commercie en marktwerking. Het is deze combinatie van een vermeende goddelijke inmenging en het aanprijzen van nieuwe commerciële ontwikkelingen die een verband doet vermoeden tussen het voorzienigheidsdenken en de commercialisering van het leven. Om deze stelling kracht bij te zetten, wil ik een aantal voorbeelden van economische goddelijke voorzienigheid uit de vroegmoderne literatuur bespreken. [vi]

III.

De meest voorkomende gedachte over Voorzienigheid in economische teksten van deze periode is dat koophandel en commercie een goddelijke oorsprong hebben. Bij de schepping, zo is de gedachte, zou God de grondstoffen en goederen zo over de aarde hebben verspreid dat geen enkel continent of land zelfvoorzienend kan zijn en er uitwisseling nodig is om in alle menselijke behoeften te voorzien. De onevenredige verdeling van goddelijke gaven nodigt mensen als het ware uit tot het drijven van handel en zo te komen tot een broederschap der volkeren. Een mooie samenvatting van dit alles wordt gegeven door Jacques Savary: “De la manière que la Providence de Dieu a disposé les choses sur la terre, on voit bien qu’il a voulu établir l’union et la charité entre tous les hommes, puisqu’il leur a imposé une espèce de nécessité d’avoir toujours besoin les uns des autres. Il n’a pas voulu que tout ce qui est nécessaire à la vie se trouvas en un même lieu, il a dispersé ses dons, afin que les hommes eussent commerce ensemble, et que la nécessité mutuelle qu’ils ont de s’entre aider pût entretenir l’amitié entre eux”. Het idee dat er aldus Daniel Defoe “a kind of divinity in the original of trade” is, is erg populair in de zeventiende en achttiende eeuw en wordt zelfs aangehaald in fysico-theologische werken om het bestaan van God te bewijzen. Met name interessant is de toepassing van het idee in diverse economische argumenten. Sommige schrijvers gebruiken de goddelijke oorsprong van koophandel om te pleiten voor meer internationale handelsvrijheid, anderen om de kolonisatie en economische uitbuiting van andere gebieden te rechtvaardigen en weer anderen in een pleidooi om bepaalde door God gegeven bedrijfstakken in eigen land te beschermen of te bevoorrechten. [vii]

Dezelfde gedachte werd ook toegepast op een individueel niveau. Net als landen en gebieden zouden ook mensen zélf door God zijn begiftigd met verschillende gaven en talenten om de wederzijdse afhankelijkheid te bevorderen en ervoor te zorgen dat alle noodzakelijke arbeid in een samenleving wordt verricht. Deze zogenaamde maatschappelijke arbeidsdeling, een kernbegrip uit de politieke economie, lijkt in de vroegmoderne periode te zijn geïntroduceerd door de Calvinistische politieke denker Johannes Althusius: “God verdeelde zijn gaven ongelijk onder de mensen. Hij gaf niet alles aan één persoon, maar sommige gaven aan de een en andere gaven aan anderen, zodat jij behoefte hebt aan de mijne, en ik aan die van jou. En zo werd als het ware de noodzaak tot het uitwisselen van noodzakelijke en nuttige zaken geboren”. Dit idee van de goddelijke oorsprong van arbeidsdeling wordt weliswaar – voor zover ik weet – niet veel genoemd in de zeventiende en de achttiende eeuw, maar wel weer in diverse contexten. Zo wordt het vermeld in William Derhams Physico-Theology en in het Engelse tijdschrift The Tatler, waar het “a sort of oeconomy in Providence” wordt genoemd. Onder de economische schrijvers die het idee bezigen is Benjamin Franklin, één van de Founding Fathers van de Verenigde Staten. “As Providence has so ordered it”, zo schrijft hij, “that not only different countries, but even different parts of the same country, have their peculiar most suitable productions; and likewise that different men have geniuses adapted to a variety of different arts and manufactures; therefore commerce, or the exchange of one commodity or manufacture for another, is highly convenient and beneficial to mankind”. [viii]

Niet alleen koophandel en arbeidsdeling, maar ook de commerciële samenleving als geheel werd getypeerd als vrucht van de goddelijke voorzienigheid. Vanuit het vroegmoderne natuurrechtsdenken komt een vier-stadia-theorie van de geschiedenis op, waarin de commerciële samenleving als meeste recente, zo niet laatste fase van de menselijke beschaving wordt beschouwd na de eeuwen van jagen-verzamelen, veehouderij en landbouw. Invloedrijk waren de door Hugo de Groot en Samuel Pufendorf gegeven pseudo-historische beschouwingen over de opkomst van het privé-eigendom, het geld en allerhande commerciële contracten, die uiteindelijk voortkomen uit een samenspel van ingeschapen menselijke instincten. Van groot belang voor de ontwikkeling van de economische wetenschap was John Locke’s rechtvaardiging van het privé-eigendom op basis van het goddelijk natuurrecht. Aangezien uit de fundamentele natuurwet van zelfbehoud volgt dat de mens de vruchten van de schepping door arbeid moet toe-eigenen omdat hij anders zou sterven, is de onderwerping en toe-eigening van de aarde voor Locke niet minder dan een goddelijk gebod. God gaf de aarde immers “to the use of the industrious and rational, not to the phancy or covetousness of the quarrelsome and contentious”. Met name de Schotse verlichtingsfilosofen zouden de vier-stadia-theorie verder uitwerken en ook zij werden niet moe om de hand van God te ontwaren in de opkomst van de commerciële samenleving. [ix]

Een potentieel probleem in de commerciële samenleving was echter de rol van het economisch eigenbelang. Handel werd in de vroegmoderne periode nog lang als een nulsomspel opgevat, waarin de winst van de ene persoon het verlies van de ander is. In dit licht zou het economisch belang van het individu het publiek belang kunnen ondermijnen. Maar ook hier trad de goddelijke voorzienigheid reddend op. Bekend is Adam Smiths idee van de invisible hand, onmiskenbaar een metafoor voor de Voorzienigheid, die zorg draagt voor een harmonie tussen de belangen van verschillende groepen in de samenleving. Hoewel Smith voor het eerst (in dit verband) van een goddelijke hand spreekt, is de gedachte zelf al ouder. In 1707 beweerde de Franse econoom Pierre de Boisguilbert reeds dat gerechtigheid op de markt niet wordt bewaakt door het zwaard, maar door de “Natuur of Voorzienigheid”. Dankzij deze “politie” van de markt draagt iedereen die puur uit eigenbelang handelt ongemerkt bij aan het publiek belang. De latere fysiocraten zouden deze ideeën overnemen en waren net als Boisguilbert afkerig van onnodige overheidsinmenging. Door zich als overheid afzijdig te houden en de natuur op haar beloop te laten (laissez faire la nature) zou de markt er zelf zorg voor dragen dat het individuele belang niet de overhand kan krijgen. “Toute la magie de la société bien ordonnée”, aldus Victor de Riqueti, marquis de Mirabeau, “est que chacun travaille pour autrui, en croyant travailler pour soi. Cette magie …  nous démontre que le grand Etre nous donna, en père, des principes économiques & de concorde”. Het is dus de voorzienigheid van God die de destructieve krachten van het economisch eigenbelang in goede banen leidt. [x]

Een duidelijke keerzijde van de commercialisering en latere industrialisering in de vroegmoderne periode was de toenemende economische ongelijkheid en armoede. Adam Smiths beroemde An Inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations werd dan ook heel symbolisch voorafgegaan door Thomas Andrews’ An Inquiry into the Causes of the Encrease and Miseries of the Poor of England. Waar velen het als een Bijbelse plicht zagen om zich om de armen te bekommeren, verdedigden anderen economische ongelijkheid op grond van goddelijke voorzienigheid. Dat het hier niet om een uitzondering gaat blijkt uit het veelzeggende feit dat Robert Moss, een gerespecteerde Dean of Ely, een preek kon uitgeven onder de titel The Providential Division of Men into Rich and Poor. De redenen om economische ongelijkheid als iets van boven te zien, waren evenwel zeer divers. Sommigen beweerden dat er rijken en armen nodig zijn om elkaars overlevingskansen te bevorderen. Rijken zouden met al hun bezittingen omkomen als er geen armen waren om hun land te cultiveren en winstgevend te maken en voor armen is arbeid de enige manier om zich een inkomen te verwerven. Anderen zagen economische hiërarchie als een voorwaarde voor een welgeordende samenleving. Een verlicht denker als Adam Ferguson kon bijvoorbeeld schrijven: “It has pleased Providence, for wise purposes, to place men in different stations, and to bestow upon them different degrees of wealth. Without this circumstance there could be no subordination, no government, no order, no industry. Every person does good, and promotes the happiness of society, by living agreeable to the rank in which Providence has placed him”. Tot slot was er het exotische idee van de keten of ladder van de natuur (scala naturæ) dat het universum omwille van Gods glorie alle denkbare wezens en creaties zou bevatten. Binnen deze zienswijze waren rijk en arm dus slechts twee manifestaties van de variëteit van Gods schepping. [xi]

IV.

Hoewel ik hier slechts een korte samenvatting heb kunnen geven van de diverse toepassingen van de voorzienigheidsdoctrine op het economische domein, zal het duidelijk zijn dat het voorzienigheidsdenken geen marginaal kenmerk van het vroegmoderne economische denken was. Sommige van de genoemde ideeën waren niet minder dan gemeenplaatsen in de zeventiende en achttiende eeuw en er zouden talloze citaten kunnen worden toegevoegd om dit aan te tonen.

Alvorens we aan deze populariteit conclusies willen verbinden moet er nog één misverstand uit de weg worden geruimd. Het is namelijk zeer de vraag of we al deze voorbeelden van Gods voorzienigheid wel serieus moeten nemen. Waren al deze verwijzingen naar God niet slechts uiterlijke versiering, lippendienst aan de kerk, of holle retoriek en nationalistische ideologie? Het laatstgenoemde lijkt sowieso aan de orde. Nederlanders waren namelijk overtuigd van de unieke positie van de Nederlandse koophandel in het goddelijk plan, Engelsen van de bovennatuurlijke geschiktheid van hun eiland voor een commerciële vooruitgang, Fransen van de onuitputtelijke agrarische zegeningen die Frankrijk ten deel zijn gevallen, etc. Religieuze scheidslijnen speelden hierbij evengoed een rol. Zo beweert Hugo de Groot in zijn De jure praedae commentarius dat Oost-Indië door de “Eeuwige Goedheid” uiteindelijk niet aan de katholieke Spanjaarden toekwam maar aan de Nederlanders zodat de inheemse bewoners een kans geboden werd “om kennis te maken met het ware en eenvoudige geloof”. Dat het voorzienigheidsidee werd benut om commerciële belangen, de economische status quo of de materiële utopie veilig te stellen, staat voor mij buiten kijf. Het is echter de vraag of de oprechtheid van het geloof in een economische vorm van goddelijke voorzienigheid ter zake doet. Het is voldoende om te constateren dat dit geloof niet was voorbehouden aan bepaalde groepen in de samenleving, maar breed werd gedragen (van religieus orthodox tot vrijzinnig, van politiek links tot rechts, van geleerden tot leken, etc.) en zodoende een aanzet kon vormen tot handelen. In de juiste zin van het woord was het denken in termen van economische goddelijke voorzienigheid inderdaad retorisch, omdat het teneinde lezers te overtuigen werd toegepast in economische argumenten. [xii]

Wat betekent dit alles nu voor eerder beschreven commercialisering van het leven? Mijn stelling in deze paper is dat economische goddelijke voorzienigheid in haar vroegmoderne interpretatie kan worden gezien als een belangrijke, zo niet de belangrijkste rechtvaardigingsgrond voor deze ontwikkeling. De gedachte dat er een verband is tussen wat er zich afspeelt in het economische domein en het zich ontvouwende plan van God moet een invloedrijk en voedend idee zijn geweest dat mensen in staat stelde om eeuwenoude overtuigingen over de ondergeschikte rol van het economische in te wisselen voor een meer commerciële geestesgesteldheid. Ik denk dat Weber gelijk had dat we de meest vormende ideeën – wat deze periode betreft – moeten zoeken in religie en religieuze omwentelingen. Toch is het de vraag of het metafysische idee van een economische goddelijke voorzienigheid niet betekenisvoller was dan een indirect en onbedoeld verband tussen de Protestantse ethiek en de kapitalistische geesteshouding. Deze opvatting van voorzienigheid was immers niet beperkt tot de Protestantse theologie en suggereerde bovendien een direct verband tussen het goddelijke en het economische. Het lijkt mij dat er in deze nog altijd religieus-ontvankelijke periode geen beter argument voor de commercialisering van het leven denkbaar was dan dat God er zelf bij betrokken is. In een tijd waarin God voor de overgrote meerderheid nog altijd de hoogste autoriteit was, moeten argumenten gebaseerd op Zijn voorzienigheid voor het economisch domein eenvoudigweg indruk hebben gemaakt. We dienen hier echter niet te denken in termen van een causaal verband. Economisch voorzienigheidsdenken veroorzaakte de commercialisering van het leven niet, maar rechtvaardigde of rationaliseerde deze slechts.

Dat er hier inderdaad sprake was van een rechtvaardiging – of beter nog: dat het als zodanig kon worden opgevat – blijkt wel uit de gegeven voorbeelden van economische goddelijke voorzienigheid. Zo werd allereerst de oorsprong van handel en commercie vergoddelijkt, werd vervolgens de opkomst van de commerciële samenleving met haar karakteristieke elementen als arbeidsdeling en privé-eigendom in een goddelijk perspectief geplaatst, en werden tot slot de problematische kanten als het najagen van economisch eigenbelang en het armoedevraagstuk in de handen van de goddelijke voorzienigheid gelegd. Het is daarom niet vergezocht om het voorzienigheidsdenken in verband te brengen met de commercialisering van het leven. Maar kunnen we ook spreken van een religieuze verklaring of factor? Beïnvloedde het voorzienigheidsdenken met andere woorden daadwerkelijk de publieke opinie en het economisch handelen? Deze vraag die neigt naar de vraag naar een causaal verband is veel moeilijker te beantwoorden. Wat het economisch handelen betreft is het wellicht indicatief dat het niet ongebruikelijk was om handelcompagnieën, -schepen en  -nederzettingen aan te duiden met ‘Voorzienigheid’. Zo richtten Engelse puriteinen in 1629 de Providence Island Company op  om een handelsroute op te zetten met de hedendaagse eilandengroep San Andrés y Providencia, stichtte de theoloog Roger Williams in 1636 de Providence Plantation op het Amerikaanse Providence Island, en zijn er langs de Amerikaanse oostkust vandaag de dag nog vele plaatsen met een verwijzing naar de Voorzienigheid te vinden. Het belangrijkste dat over de publieke opinie kan worden vermeld, is dat de genoemde ideeën van economische voorzienigheid en name die van de goddelijke oorsprong van handel op vele plaatsen en in vele contexten opduiken. Niet alleen in geleerde economische en politieke verhandelingen wordt gerept over Gods regering van het economische domein, maar ook pamfletten, petities, overheidsdocumenten, briefwisselingen en preken. Blijkbaar drongen dergelijke ideeën door in allerlei lagen van de samenleving en werd er geloof aan gehecht.

Interessant is ook dat in de zogenaamde fysicotheologie, een in de vroegmoderne periode zeer populaire discipline met beroemde beoefenaars, de geschiktheid van de schepping om tot commerciële vooruitgang te komen geroemd als een bewijs voor het bestaan van God. Zo beweert John Ray dat de winden zeer behulpzaam zijn in het voortstuwen van schepen en zo het handel drijven met de verstafgelegen landen, stelt François Fénelon dat de diversiteit in bodemgesteldheid de drijfveer is tot wederzijdse handel en bevordering van de broederschap der volkeren, en ziet Bernard Nieuwentyt in de zeeën de uitgelezen mogelijkheid om per scheepvaart de volken van elkaars voordelen en gemakken te voorzien. Daarvan getuigen volgens Nieuwentyt ook de winden, aangezien de “Regeerders Voorsienigheit dese by ons soo losse winden, die uit alle hoeken des werelds sonder eenige ordre schynen voort te komen, op andere plaatsen, daar sulks ten besten van de menschen vereischt werd, aan soo vaste wetten gebonden heeft, als oit eenigh uurwerk door konst van syn meester gedaan is”. Ook wat betreft het gebruik van de Schrift als historische bron waren het economisch en theologisch denken tamelijk eensgezind. In zowel economische als theologische teksten uit deze periode wordt de geschiedenis van de landbouw, de scheepsnavigatie en het geld doorgaans teruggevoerd op het boek Genesis. Abel zou de eerste beoefenaar zijn van de nobele landbouwkunst, Noach de uitvinder van de scheepvaart en het navigeren en Abraham de eerste gebruiker van geld. Door deze drie belangrijke aspecten van de vroegmoderne economie in verband te brengen met de Bijbelse economie en er bovendien de wil en voorzienigheid van God aan te verbinden, lijkt ook hier sprake te zijn van een legitimatie van het commerciële. [xiii]

V.

Hoe gezaghebbend het economische voorzienigheidsdenken was, blijkt wel uit het werk van de theoloog-econoom Josiah Tucker. De Dean of Glouchester stond op het standpunt “that universal commerce, good government, and true religion, are nearly, are inseparably connected”. Tussen dit drietal zou namelijk een volledige harmonie bestaan, daar “they all promote each other; nay, that they are but parts of one general scheme, in the designs of Providence”. De manier waarop Tucker universele commercie en ware religie met elkaar in verband brengt, roept tot slot de vraag op of er in het economisch voorzienigheidsdenken niet al te menselijk over God wordt gedacht. Hier lijkt inderdaad sprake van. Na de Middeleeuwen ondergaat het voorzienigheidsgeloof onmiskenbaar een antropocentrische wending, waarin niet langer de glorie van God maar het menselijke geluk en welvaren als doel van de goddelijke voorzienigheid wordt gezien. De veelvuldige toepassing van Gods voorzienigheid op het domein van de economie is hier een uiting van, en wellicht zelfs een oorzaak van. Het idee dat de goddelijke voorzienigheid dienstbaar is aan de mens werpt eveneens nieuw licht op de commercialisering van het leven, die deze belofte van welvaart en geluk immers in zich droeg. [xiv]

De in deze paper beschreven wisselwerking tussen religieuze en economische ideeën is vanuit cultuurhistorisch oogpunt interessant te noemen. Net als bij de opkomst van het kapitalisme lijkt de commercialisering van het leven immers niet geheel verklaarbaar in economische termen en lijkt een aanvullende religieuze verklaring een rol te spelen. Hoe overtuigend ons de relatie tussen het groeiende geloof in een economische goddelijke voorzienigheid en deze commercialisering ook voorkomt, het is op zijn minst opvallend te noemen dat beide ontwikkelingen zich in de vroegmoderne periode gelijktijdig voordoen. Een feit is dat het religieuze idee van een goddelijke regering en onderhouding van de schepping werd ingelijfd in het economisch denken van deze periode en als aanleiding of middel werd gezien om de publieke opinie te beïnvloeden. Door de nieuwe commerciële ontwikkelingen in verband te brengen met Gods voorzienigheid, lijkt het vroegmoderne economisch denken het religieuze denken als een leverancier van betekenis en vormgever van het wereldbeeld in de arm te nemen. Het is aannemelijk dat deze combinatie van economisch en religieus denken vrij invloedrijk is geweest, ook al laat het zich moeilijk bewijzen. “The two great forming agencies of the world’s history”, aldus de econoom Alfred Marshall, “have been the religious and the economic. Here and there the ardour of the military or the artistic spirit has been for a while predominant: but religious and economic influences have nowhere been displaced from the front rank even for a time; and they have nearly always been more important than all others put together”. Het krachtige aan het denkbeeld van economische goddelijke voorzienigheid is nu dat beide invloedsferen er in samenkomen. [xv]

Noten

[i] De verandering van het denken over koophandel en commercie wordt helder beschreven in Robert L. Heilbroner, The Making of Economic Society (Englewood Cliffs, NJ: Prentice-Hall, 1962) en in Jacob Viners ‘Wabash Lectures’ (1959), gepubliceerd in Essays on the Intellectual History of Economics (Princeton: Princeton University Press, 1991), pp. 37-77.

[ii] Taylor beschrijft het idee van de affirmation of ordinary life in dl. 3 van zijn Sources of the Self. The Making of the Modern Identity (Cambridge: Harvard University Press, 1989). Het latere boek waar over gesproken wordt is A Secular Age (Cambridge / London: Harvard University Press, 2007) en dan met name h. 4. Een vergelijkbare analyse van de omslag van the good life naar de goods life is te vinden in Brad S. Gregory, The Unintended Reformation. How a Religious Revolution Secularized Society (Cambridge, MA / London: The Belknap Press of Harvard University Press, 2012), h. 5.

[iii] Webers boek werd aanvankelijk uitgegeven als ‘Die protestantische Ethik und die Geist des Kapitalismus’, Archiv für Sozialwis-senschaft und Sozialpolitik, vols. 20-21 (1904).

[iv] Zie voor alternatieve theorieën over de opkomst van het kapitalisme John G.A. Pocock, The Machiavellian Moment. Florentine Political Thought and the Atlantic Republican Tradition (Princeton: Princeton University Press, 1975); Crawford B. Macpherson, The Political Theory of Possessive Individualism. Hobbes to Locke (Oxford: Clarendon Press, 1962); en Albert O. Hirschman, The Passions and the Interests. Political Arguments for Capitalism Before its Triumph (Princeton: Princeton University Press, 1977). Joyce Appleby maakt haar punt op pp. 87-89 van The Relentless Revolution. A History of Capitalism (New York /London: W.W. Norton & Company, 2011).

[v] Het citaat uit de Heidelberger Katechismus komt uit [Zacharias Ursinus et al.], Catechismus, oder Christlicher Underricht, wie der in Kirchen und Schulen der Churfürstlichen Pfalz getrieben wirdt (Heidelberg, 1563), pp. 26-27. Zie voor het ‘boeck der natuere’-idee’ o.a. Eric Jorink, Het Boeck der Natuere. Nederlandse geleerden en de wonderen van Gods Schepping 1575-1715 (Primavera Pers: Leiden, 2007); en Klaas van Berkel, Citaten uit het boek der natuur. Opstellen over Nederlandse wetenschapsgeschiedenis (Amsterdam: Uitgeverij Bert Bakker, 1998).

[vi] Een aantal heldere boeken die handelen over ‘pre-Smithiaans’ economisch denken zijn Henry W. Spiegel, The Growth of Economic Thought (Durham / London: Duke University Press, 1971); Joseph A. Schumpeter, History of Economic Analysis (New York: Oxford University Press, 1954); Terence W. Hutchison, Before Adam Smith. The Emergence of Political Economy, 1662-1776 (Oxford / New York: Basil Blackwell, 1988); and Murray Rothbard, Economic Thought Before Adam Smith (Auburn: Ludwig von Mises Institute / Edward Elgar, 1995). Jacob Viners The Role of Providence in the Social Order (Philadelphia: American Philosophical Society, 1972) is het enige boek dat handelt over het voorzienigheidsdenken in het vroegmoderne economisch denken.

[vii] Het citaat van Savary is te vinden op p. 1 van Le parfait negociant ou instruction generale pour ce qui regarde le commerce de toute sorte de Marchandises (Paris, 1675) en dat van Defoe in zijn Review (s.l., 1713), vol. 1 [9], no. 54, p. 107.

[viii] De citaten zijn respectievelijk te vinden in Johannis Althusii, Politica Methodicè digesta (Arnhem, 1610 [1603], h. 1, p. 6 (“Ob quam caussam etiam Deus opt. max. sua dona varie distribuit inter homines. Non enim uni contulit omnia, sed aliis alia, ut ego tuis, tu meis indigeres, ita ut quasi necessitas communicandorum necessariorum & utilium hinc nata sit, quae communicatio non nisi in politica vita sociali fieri poterat”); [Richard Steele?], The Tatler, no. 92, November 9, 1709, in The Lucubrations of Isaac Bickerstaff Esq, vol. 2 (London, 1712), p. 162; en [Benjamin Franklin], A Modest Inquiry into the Nature and Necessity of a Paper Currency (Philadelphia, 1729), p. ?. Het thema van sociale arbeidsdeling in het licht van intelligent ontwerp wordt ook besproken in Milton L. Myers, ‘Division of labour as a principle of social cohesion’, Canadian Journal of Economics and Political Science, vol. 33, no. 3 (1967), pp. 432-440 and ‘Derham, Maxwell, Harris, and Priestly: Self-interest in a distribution of the arts’, in The Soul of Modern Economic Man. Ideas of Self-Interest: Thomas Hobbes to Adam Smith (Chicago / London: University of Chicago Press, 1983), h. 7.

[ix] De vier-stadia theorie komt aan de orde in Ronald L. Meek, Social Science & the Ignoble Savage (Cambridge: Cambridge University Press, 1976). Zie voor Locke’s eigendomstheorie zijn Two Treatises of Government (London, 1690), bk. 2, h. 5. Het citaat komt van p. 251.

[x] Zie voor het ‘probleem’ van eigenbelang en de relatie tot het voorzienigheidsdenken Milton L. Myers, ‘Philosophical anticipations of laissez-faire’, History of Political Economy, vol. 4, no. 1 (1972), pp. 163-175 and The Soul of Modern Economic Man; Pierre Force, Self-Interest Before Adam Smith. A Genealogy of Economic Science (Cambridge: Cambridge University Press, 2003); en Steven G. Medema, ‘Adam Smith and his ancestors’, in The Hesitant Hand: Taming Self-Interest in the History of Economic Ideas (Princeton: Princeton University Press, 2009), h. 1. De oorsprong van de invisible hand-gedachte wordt besproken in Peter Harrison, ‘Adam Smith and the history of the invisible hand’, Journal of the History of Ideas, vol. 72, no. 1 (2011), pp. 29-49. Het citaat van Mirabeau komt uit Philosophie rurale, ou économie générale et politique de l’agriculture (Amsterdam, 1763), h. 5, p. 50.

[xi] Meer informatie over armoede in het licht van de goddelijke voorzienigheid in Viner, ‘The providential origins of social inequality’, in The Role of Providence in the Social Order en, voor de Engelse context, in Richard Harvey , ‘English poverty and God’s providence, 1675-1725’, Historian, vol. 41, no. 3 (1979), pp. 499-512. Het citaat van Ferguson komt uit The Morality of Stage-Plays Seriously Considered (Edinburgh, 1757), p. 24. De scale naturæ wordt besproken in Arthur O. Lovejoy, The Great Chain of Being: A Study of the History of an Idea (Cambridge, MA: Harvard University Press, 1936).

[xii] Grotius’ commentaar uit 1604 werd voor het eerst uitgegeven als Hugonis Grotii, Jure praedae commentarius (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1868). De citaten komen van p. 319 (“Inter omnes autem negotiationes Indica et dignitate et magnitudine et utilitate facile primas obtinet. Postquam enim Hispanorum feritas commercia abrupit, labascenti jam mercaturae Deus, ipse Deus, inquam, singulari beneficio orbem istum Batavis aperuit. Potuit quidem aeterna bonitas etiam Indis consuluisse, quos horum exemplo animatos voluerit adversus terrorem Hispanici nominis, utque simul occasio patefieret addiscendae religionis verae et simplicis”).

[xiii] De drie genoemde boeken zijn John Ray, The Wisdom of God Manifested in the Works of the Creation (London, 1691); [François Fénelon], Demonstration de l’existence de Dieu (Paris, 1713); en Bernard Nieuwentyt, Het regt gebruik der werelt beschouwingen (Amsterdam, 1715). Het citaat is van p. 368.

[xiv] Het citaat van Tucker komt uit zijn The Elements of Commerce and Theory of Taxes ([Bristol], 1755), p. 172.

[xv] Het citaat van Marshall komt uit zijn Principles of Economics (London: Macmillan, 1890), p. 1.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s