De reformatie van het economisch denken. Calvinistische economie in Nederland, 1880-1948

Diepenhorst-k

Diepenhorst

1. Inleiding

Schijnbaar vanuit het niets verschijnen in 1904 twee proeven van Calvinistische economie. Althans dit is hoe de recensenten van het gezaghebbende Nederlandse tijdschrift De Economist de boeken van mr. P.A. Diepenhorst en mr. T. de Vries omschrijven. Diepenhorst geeft in het bewuste proefschrift Calvijn en de economie echter te kennen dat er “geen sprake” van is “dat hier eene poging zou worden gewaagd, om een stelsel van economie op Calvinistische grondslag te leveren”. Het doel van zijn verhandeling is slechts “de gedachten, door Calvijn omtrent enkele economische onderwerpen verkondigd, in het licht te stellen”.[1] Ook De Vries is terughoudend in de doelstelling van zijn boek. Zijn Beginselen der Staathuishoudkunde vormt een bijdrage waarmee “de voet gezet wordt op den weg tot een wetenschappelijke behandeling der economie op den grondslag der Calvinistische beginselen”.[2] Beide auteurs geven aan het begin van de twintigste eeuw dus te kennen nog niet te zijn toegekomen aan de daadwerkelijke formulering van een calvinistische economie.

Dat beide boeken evenwel haaks op de economische tijdgeest stonden, blijkt wel uit de toon van de recensies. Naar aanleiding van de Beginselen der Staathuishoudkunde wordt opgemerkt dat het een “volkomen onwetenschappelijke gedachte [is], eene calvinistische wetenschap der staathuishoudkunde te willen opbouwen”.[3] De econoom zou geordende kennis van de causale verbanden in economische levensverschijnselen moeten verwerven, en diens levensbeschouwing doet in deze niet ter zake. De recensie van Diepenhorsts Calvijn en de economie is milder van toon. De recensent concludeert met grote belangstelling uit te zien naar nadere ontwikkeling der calvinistische economie, maar voegt er aan toe “door deze proeve niet van het recht van het bestaan en, van het werkelijk bestaan eener Calvinistische wetenschap der Economie [te zijn] overtuigd”.[4]

De calvinistische economie zou zich nadien inderdaad verder ontwikkelen. Er ontstond weliswaar geen ‘school’ van economisch denken, maar een viertal schrijvers uit de gereformeerde, antirevolutionaire kring zou zich wel voor de reformatie van de economie inspannen. In dit artikel beschrijf ik de opkomst en uitwerking van deze eigenaardige vorm van economiebeoefening in Nederland tussen 1880 en 1948.[5] Wat uitwerking betreft, zal ik vooral ingaan op economische uitgangspunten, doelstelling en methodologie en nauwelijks tot niet op de inhoudelijke denkbeelden van de calvinistische economie. Niet omdat deze minder interessant zouden zijn, in tegendeel, maar de beschrijving van het denkkader zal reeds alle aandacht opeisen. De eerste vraag die ik in dit artikel zal behandelen is waar de calvinistische economie eigenlijk vandaan kwam. Ik zal betogen dat de boeken van Diepenhorst en De Vries niet toevallig aan het begin van twintigste eeuw verschenen en de aanleiding moet worden gezocht bij Abraham Kuyper. Na een bespreking van Kuypers economische denkbeelden, die bij de latere auteurs doorklinken, zal worden ingegaan op de opkomst en opbouw van de calvinistische economie. In de daarop volgende delen van dit artikel worden de uitgangspunten, doelstelling en methodologie van deze economie behandeld. De calvinistische economie, zo zal duidelijk worden, beoogde een algehele reformatie van het economisch denken.

 2. Kuyper als bron van inspiratie [6]

Kuyper

Kuyper

Het idee van een calvinistische economie is te herleiden tot Abraham Kuyper (1837-1920). De theoloog, staatsman en journalist Kuyper was dan wel geen econoom, maar is zich er wel altijd van bewust geweest dat zijn ideaal van een alomvattende calvinistische levens- en wereldbeschouwing een eigen vorm van economiebeoefening behoefde. In zijn in 1880 gehouden rede ter inwijding van de Vrije Universiteit (VU) in Amsterdam pleit Kuyper al voor (de uitbouw van) een eigen juridische faculteit, die toentertijd in Nederland ook aan de staathuishoudkunde onderdak bood. Dat er dringende behoefte was aan een dergelijke faculteit op gereformeerde grondslag bleek volgens Kuyper wel uit het feit dat “reeds buiten de wetenschap om, de Christelijke consciëntie én tegen de heerschende staathuishoudkunde, én tegen de in zwang zijnde handelscostumen, én tegen het roofdierachtige der sociale verhoudingen in verzet” kwam.[7] Het laatste is een verwijzing naar de zogenaamde ‘sociale kwestie’ van werkloosheid en armoede, die door Kuyper werd beschouwd als het meest prangende maatschappelijke vraagstuk van zijn tijd.

In zijn rede bij de opening van het eerste sociaal congres in 1891, in het leven geroepen vanwege dezelfde sociale kwestie, merkt Kuyper teleurgesteld op dat zijn volksdeel nog geen mannen van het vak bezit: “als specialist in de staathuishoudkunde is geen onzer op dit Congres verschenen”.[8] Tot zijn spijt moet hij erkennen dat de socialisten en rooms-katholieken in de bestudering van dit vraagstuk al veel verder waren gevorderd. Calvinisten lopen volgens Kuyper op dit terrein al twintig of dertig jaar achter. Er kan niet genoeg worden benadrukt, zo schrijft hij in een voetnoot bij zijn rede, dat “ook onzerzijds gestudeerd en gewerkt [moet] worden. Noch met gemoedelijke praat noch met oppervlakkige algemeenheden komt men in de Sociale quaestie verder”.[9] Bij gebrek aan calvinistische economen zag Kuyper zich genoodzaakt om zelf de handschoen op te pakken en het belang van de christelijke religie voor het arbeidersvraagstuk uiteen te zetten. Ik kom hier zo dadelijk op terug.

Kuypers invloedrijke rede over de sociale kwestie was niet zijn enige bijdrage aan de latere calvinistische economie. Hij leverde er namelijk ook enkele grondmotieven voor aan. Van fundamenteel belang is allereerst zijn typering van de economie als een vrucht van de “gemeene gratie”, de zegeningen die God na de zondeval nog aan de hele mensheid heeft willen schenken. In het derde deel van De gemeene gratie (1904) geeft Kuyper een uitgebreide beschouwing over de opkomst van de economie. De na de zondeval ontstane behoefte aan voedsel, kleding en onderdak zou door God zijn aangegrepen om respectievelijk landbouw, nijverheid en handel tot ontwikkeling te laten komen. Doordat God de mens wees op de vele manieren waarop zijn behoeften bevredigd konden worden en hem bezielde met de benodigde kennis, kon de drang tot behoeftebevrediging een belangrijke en onmisbare drijfkracht in de ontwikkeling van de menselijke samenleving worden. “Landbouw, veeteelt, jacht, visscherij, mijnbouw, ambacht, nijverheid, winkelstand, kleinhandel, markt, jaarmarkt, groothandel, riviervaart, zeevaart, en zooveel meer, het is alles met noodwendigheid, opgekomen uit de gegevens, die in de schepping lagen, en die God, in weerwil van den vloek, door zijn Gemeene gratie voor ons bewaard en bestendigd heeft”.[10]

Om zijn betoog kracht bij te zetten put Kuyper uit een aantal eeuwenoude rechtvaardigingen voor de handel, die interessant genoeg vooral in de Verlichting populair waren. De handel moest tot stand komen omdat landen en streken door God bij de schepping waren voorzien van verschillende noodzakelijke producten. De uitwisseling van deze goederen werd vergemakkelijkt door de scheepvaart, die kon opkomen omdat God het water en het hout zo had geschapen dat schepen op de zee konden blijven drijven. Kuyper is evenwel niet onverdeeld positief over de handel en zich er terdege van bewust dat de zonde ook in het economische leven doorwerkt. Dit is echter geen reden om deze vrucht van de algemene genade te wantrouwen. De economie past in het “goddelijk bestel” om het maatschappelijk leven tot een hoger niveau te brengen en is daarom voor de christen geen verboden terrein.

Een tweede motief bij Kuyper dat relevant was voor het economisch denken is diens theorie van de samenleving, zoals uiteengezet in de rede Souvereiniteit in eigen kring. De samenleving is in de ogen van Kuyper geen hiërarchische ordening, waarbij bijvoorbeeld kerk en staat heersen over al het andere, maar een organisch lichaam dat is opgedeeld in verschillende, naast elkaar functionerende levenskringen. Als voorbeelden van dergelijke kringen noemt hij ondermeer de “persoonlijke” kring, “huiselijke” kring, “paedagogische” kring, “kerkelijke” kring, “maatschappelijke” kring, “handelskring” en “staatskring”. Voor de economie is van belang dat de maatschappij en handel als aparte kringen worden onderscheiden. Waar de natuur geregeerd wordt door natuurwetten, gehoorzamen de diverse samenlevingskringen volgens Kuyper aan eigen “levenswetten”. Deze door God gegeven wetten en ordeningen voor het menselijk leven (waar in de rede overigens geen voorbeelden van worden gegeven) verlenen aan de kringen een eigen vorm van gezag en recht. De goddelijke opdeling van het leven in verschillende kringen met eigen levenswetten maakt dat kerk en staat in beginsel geen zeggenschap hebben over de andere kringen, maar dat deze een eigen vorm van soevereiniteit toekomt: de zogenaamde “souvereiniteit in eigen kring”.

Het is door deze afbakening en zelfstandigheid van kringen dat een organisch leven tot bloei komt. “Al deze kringen nu”, aldus Kuyper, “grijpen met de tanden hunner raderen in elkaar, en juist door dat ‘op elkaar werken’ en ‘in elkaar schuiven’ van deze kringen ontstaat het rijke, veelzijdige, veelvormige menschenleven; maar ontstaat óók, in dat leven, het gevaar dat de ééne kring den naastliggende inbuige; aldus een rad horten doe; tand na tand stuk wringe; en dusdoende den gang store van het geheel”.[11] De mogelijkheid tot schending van de soevereiniteit in eigen kring vormt voor hem het voornaamste bestaansrecht van de staatskring met het haar verleende overheidsgezag. De taak van de overheid is om de onderlinge rechtsverhoudingen tussen de kringen in stand te houden en wel zo dat er recht wordt gedaan aan de aard en het bestaansdoel van de onderscheiden kringen.

Tot slot is de calvinistische economie van ideeën voorzien door Kuypers “architec-tonische critiek”.[12] Het gaat hier om een vorm van kritiek op de maatschappelijke orde die de onhoudbaarheid van de huidige situatie aantoont en deze verklaart uit een fout in de grondslag van het maatschappelijke samenleven zelf. Of, om in termen van Kuyper te blijven, een kritiek op de inrichting van het maatschappelijk gebouw die voortkomt uit een kritische beschouwing van de architectuur van het maatschappelijk gebouw. Kuyper oefende een dergelijke architec-tonische kritiek uit in zijn rede over de sociale kwestie.[13] De diepgaande sociale nood van de negentiende eeuw was zijns inziens het gevolg van het gif van de Franse revolutie. De door deze revolutie geïnspireerde klassieke school in de economie predikte volgens Kuyper een onheilzame combinatie van geldzucht, individualisme en laissez faire, laissez passer. Navolging van het ‘mercantiele evangelie’ van de struggle for money in de bezittende klasse zou onvermijdelijk leiden tot een struggle for life in arbeidersklasse. Dit terwijl Christus ons oproept geen schatten op aarde te verzamelen en zich keert tegen het ‘kapitaliseren’.

Kuyper is van mening dat de oplossing van de sociale kwestie moet worden gezocht in een zo sterk mogelijke nadruk op de majesteit van Gods gezag en de absolute geldigheid van zijn ordinantiën. De laatste leren ons dat we de stoffelijke wereld moeten bewerken en cultiveren, maar ook dat we al ons eigendom slechts in bruikleen hebben en al ons beheer slechts rentmeesterschap is waarover we verantwoording schuldig zijn. Waar het rekening houden met Gods ordinantiën in het maatschappelijk leven leidt tot een gezonde ontwikkeling van de samenleving en een “sociale samenbinding van een organisch-samenhangend maatschappelijk leven”,[14] resulteerde de erfenis van de Franse revolutie in een verstoring ervan. Met haar economisch individualisme, atomisme en egoïsme ontstond de fout in de grondslag van het maatschappelijk samenleven.

Wat opvalt in Kuypers vroege geschriften is zijn belezenheid in de sociaal-economische literatuur van zijn tijd. Hoewel niet altijd duidelijk is welke literatuur hij zelf heeft bestudeerd en welke ideeën hij uit tweede hand heeft, zijn er ondermeer verwijzingen in aan te treffen naar klassieke economen als Adam Smith, David Ricardo, John Stuart Mill en Johann Heinrich von Thünen, socialisten als Karl Marx en Ferdinand Lassalle, utopisten als Charles Fourier en Pierre-Joseph Proudhon, schrijvers van de Duitse historische school als Wilhelm Roscher, Bruno Hildebrand, Gustav Schmoller en Lujo Brentano, Engelse Christen-socialisten als Frederick Maurice en Charles Kingsley, Rooms-katholieke denkers als Fréderic Le Play, Wilhelm von Ketteler en Albert de Mun, en staatssocialisten als Adolf Wagner, Karl Rodbertus(-Jagetzow) en Albert Schäffle. En dit is nog maar een greep uit de bekendere namen die in de voetnoten van Kuypers rede over de sociale kwestie worden genoemd. Er wordt wel beweerd dat hij zelf aansluiting zocht bij de Duitse historische school, maar hiervoor heb ik geen bewijs kunnen vinden. Kuyper benoemde wel in meer richtingen waardevolle elementen, en was voor een gefundeerde keuze vermoedelijk te weinig in de wetenschappelijk-economische discussie ingewijd.

3. Opkomst en opbouw van de calvinistische economie

In het voorgaande is Kuyper getypeerd als een belangrijke inspiratiebron voor de latere calvinistische economie. De voorman van het gereformeerde volksdeel hamerde niet alleen op de noodzaak van een eigen economie, maar leverde er ook de nodige ideeën voor aan. Hij zal overigens niet de enige inspirator zijn geweest. Veel verwezen wordt er bijvoorbeeld ook naar de antirevolutionaire politicus G. Groen van Prinsterer (1801-1876), de leermeester van Kuyper. Groen van Prinsterer was overtuigd van de onmisbaarheid van hogere godsdienstige beginselen voor de staathuishoudkunde, ondermeer omdat er zijns inziens geen welvaart kon bestaan zonder zedelijkheid en vice versa. Met name zijn volgende woorden maakten indruk: “De Oecconomia Politica is eene onwaardeerbare wetenschap, veel te flaauwelijk in ons Vaderland beoefend, doch, met de gansche uitnemendheid van haar navorsching en arbeid, wordt ze magteloos of althans vergelijkenderwijs onvruchtbaar, wanneer zij haar kracht enkel in materieel overleg zoekt”.[15] Aan het eind van de negentiende eeuw was de eerste klacht van een achterblijvende economiebeoefening door de feiten achterhaald, maar de tweede opmerking over de onvruchtbaarheid van een louter materialistische benadering volgens sommigen nog altijd actueel. Het laatste brengt ons bij de volgende thema: de ontwikkeling van de calvinistische economie na Kuyper.

De eerste publicatie op dit terrein kan worden toegeschreven aan de in de inleiding genoemde De Vries. Tiemen de Vries (1865-1936) studeerde theologie en rechten aan de VU en promoveerde in 1899 op een juridisch onderwerp. Waar zijn interesse voor de economie vandaan kwam is niet duidelijk, maar in 1904 deed hij een op een studentenvereniging gehouden lezing over de geschiedenis van de economie verschijnen. Naar eigen zeggen draagt De Vries in deze voordracht “een bescheiden steentje” aan “voor den bouw eener Calvinistische staathuishoudkunde”.[16] Zijn bijdrage bestaat daarin dat hij de rol van levens- en wereldbeschouwingen in het economisch denken blootlegt. Revolutionaire en evolutionaire stromingen hebben volgens De Vries geleid tot eigen economische stelsels die stuk voor stuk de sociale kwestie hebben gevoed en verergerd. Om bij te dragen aan een oplossing van het arbeidersvraagstuk zal het terrein van de staathuishoudkunde, niets “anders dan de sociale quaestie in wetenschappelijken vorm”,[17] ook door calvinisten moeten worden betreden.

De Vries

De Vries

In hetzelfde jaar publiceerde De Vries – overigens buiten de universitaire wereld om – zijn Beginselen der Staathuishoudkunde.[18] De neutrale titel wekt de indruk dat dit meer dan 200 pagina’s tellende boek een niet-levensbeschouwelijke insteek heeft, maar deze wordt als snel weggenomen bij het lezen van de eerste pagina’s. De Vries presenteert een door en door calvinistische benadering van de economische wetenschap, waarbij Kuyper met afstand de meest geciteerde auteur is. Wederom legt de auteur een verband tussen de sociale kwestie en de staathuishoudkunde. Het belang van de beoefening van de staathuishoudkunde is “tevens de reden waarom het ook van Calvinistische zijde plicht is zoo mogelijk licht te verspreiden”.[19] De in de inleiding aangekondigde delen Geschiedenis der economie en Systeem van economie (sic) zijn nooit meer verschenen. De Vries zou na 1904 niet meer voor een groot publiek over economie schrijven. De zeer negatieve recensie van de Beginselen in het tijdschrift De Economist (“deze arbeid van Mr. De Vries [is] in ieder opzicht een teleurstelling, naar ik hoop ook voor Calvinistische lezers”)[20] kan hier in hebben meegespeeld, maar was niet de voornaamste reden. Ik kom hier later op terug.

Diepenhorst

Diepenhorst

Veel langduriger en vruchtbaarder was de intellectuele arbeid van Pieter Arie Diepenhorst (1879-1953). Diepenhorst studeerde rechten aan de VU, was enige tijd advocaat en promoveerde in 1904 op Calvijn en de economie. Nog in hetzelfde jaar werd hij op 25-jarige leeftijd benoemd tot eerste hoogleraar staathuishoudkunde aan de juridische faculteit, een functie die hij tot 1948 zou blijven vervullen. De talrijke nevenfuncties van Diepenhorst, waaronder een jarenlang lidmaatschap van de gemeenteraad, Provinciale Staten en de Eerste Kamer namens de Anti-Revolutionaire Partij, weerhielden hem niet van het schrijven van lijvige economische leerboeken. Enkele voorbeelden zijn Voorlezingen over de economie (1910, 4 dln.), Grondbeginselen der economie (1917), De loonarbeid (1931), De eigendom (1933) en Leerboek van de economie (1934-35, 2 dln.). Uit zijn inaugurele rede blijkt met welke intentie Diepenhorst zijn werk begon. “Door uwe benoeming spraakt gij uit”, zo stelt hij in het dankwoord, “dat gij mij geschikt achttet om mede de lijnen uit te stippelen, waarlangs de ontwikkeling der Calvinistische economie zich moet bewegen”.[21]

In het slothoofdstuk van zijn Calvijn en de economie, een boek dat primair handelde over Calvijns economische opvattingen, had Diepenhorst reeds enkele bezwaren tegen een dergelijke economie proberen weg te nemen. Hij ging bovendien in op de vraag hoe een economische wetenschap op calvinistische grondslag moest worden ingericht. De belangrijkste eis, aldus de auteur, is “dat in de economie worde gerekend met de eeuwige en in hun wezen onveranderlijke beginselen van Gods Woord, zooals die, naar onze meening, hunne schoonste uitdrukking vinden in de Calvinistische levensbeschouwing”.[22] Of hij heeft kunnen voldoen aan de hooggespannen verwachting een geheel eigen economie te ontwikkelen is maar zeer de vraag. Diepenhorst leek niet te beschikken over de juiste analytische en theoretische gaven en interesses en had als hoofdeconoom van het gereformeerde volksdeel simpelweg teveel tijdrovende nevenverplichtingen.[23]

De prille jaren van de calvinistische economie verliepen niet zonder spanningen. Hoewel De Vries het boek Calvijn en de economie in een lange voetnoot in zijn Beginselen een verdienstelijke bijdrage onder de gereformeerde studies over de economie noemt, laat hij niet na te vermelden dat het tekort schiet als onderzoek naar Calvijns economische denkbeelden. In zijn bespreking van rente en kapitaal zou Diepenhorst meer tot Marx dan tot Calvijn naderen. Ernstiger nog is zijn beschuldiging van plagiaat. Op een tiental plaatsen in zijn proefschrift zou Diepenhorst zonder bronvermelding hebben geput uit De Vries’ artikelenreeks over economie in het weekblad De christen-demokraat.[24] Nog hetzelfde jaar reageerde Diepenhorst op deze aanklacht, wederom in een uitvoerige voetnoot. Diepenhorst weerspreekt De Vries’ beschuldiging en geeft aan dat diens economische vondsten minder origineel zijn dan hij doet vermoeden. “Alleen onvoldoende bekendheid met de economische literatuur ten opzichte van deze punten kan aanleiding geven tot eene klacht als die van Mr. De Vries”.[25] Wat De Vries’ Beginselen betreft merkt Diepenhorst op dat het weliswaar blijk geeft van een niet-alledaagse bekendheid met de gereformeerde literatuur, maar dat over de economische relevantie nog geen uitspraak kan worden gedaan. Het inleidende deel van zijn trilogie zou slechts twee paragrafen bevatten met daadwerkelijk nieuwe economische gezichtspunten.

Op de achtergrond van het conflict tussen De Vries en Diepenhorst speelt nog een andere kwestie. De al te kritische uitlatingen van De Vries over de levensbeschouwelijke koers van de VU leidde tot moeilijkheden rondom zijn doctoraal-examen en promotie. Ook zijn hoofdredacteurschap van De christen-demokraat, met A.P. Staalman opgericht uit kritiek op de te conservatieve koers van Kuypers Anti-Revolutionaire Partij, deed de populariteit van De Vries geen goed. Zijn jarenlange pogingen om een professoraat aan de VU te bemachtigen waren dan ook vruchteloos. De Vries’ Beginselen vormden een ultieme blijk van diens wetenschappelijke talent aan het adres van Kuyper. De talloze citaten uit Kuyper en onbeschaamde lofzangen op de betekenis van zijn werk moeten waarschijnlijk ook in het licht van dit charmeoffensief worden gezien. Toen echter tot De Vries’ grote teleurstelling de nieuw ingestelde leerstoel staathuis-houdkunde werd vergeven aan Diepenhorst staakte hij per direct zijn arbeid op het terrein van de economie.[26]

Nederbragt

Nederbragt

Een derde hoofdrolspeler in het hier vertelde verhaal is Johan Alexander Nederbragt (1880-1953). Nederbragt studeerde pas op latere leeftijd economie en deed dat, in tegenstelling tot De Vries en Diepenhorst, aan de ‘openbare’ Nederlandsche Handels-Hoogeschool (de latere Erasmus Universiteit) te Rotterdam. Zijn Pénétration pacifique (1918) was het eerste aan deze hogeschool verdedigde proefschrift. Als leraar M.O. Staatswetenschappen publiceerde Nederbragt reeds Korte lessen in staatsrecht en oeconomie (1914-1915, 2 dln.), waarin hij uitgebreid ingaat op de geschiedenis van het economisch denken en allerhande economische vraagstukken maar nergens rept over een specifieke christelijke of calvinistische economie. Na zijn promotie was hij ondermeer werkzaam als chef van de economische afdeling van het ministerie van buitenlandse zaken, als burgermeester van Voorburg, en als consul-generaal en Nederlandse gezant in Israël.

Nederbragt, die zichzelf als niet-gebonden antirevolutionair beschouwde, was dus vooral een man van de economische praktijk. Dit blijkt ook uit zijn twee publicaties op het terrein van de calvinistische economie. “Mijn aspiratiën gaan allereerst naar iets anders dan naar het wetenschappelijke”,[27] zo schrijft Nederbragt in het voorwoord van zijn Proeve eener theorie der economie naar christelijke belijdenis (1921). Hoewel het hem dus wel degelijk om economische theorievorming is te doen, heeft hij naar eigen zeggen in het meer dan 400 pagina’s tellende boek de schijn van wetenschappelijkheid willen vermijden door feitenmateriaal, citaten en verwijzingen – die hij wel degelijk met zorg bestudeerd zou hebben – achterwege te laten. Waar Nederbragt in zijn Proeve nog bewust van ‘christelijke’ beginselen spreekt, draagt zijn latere boek als titel Calvinisme en economie (1939). Wat blijft is de niet-wetenschappelijke insteek, want de auteur gaat vooral na wat de Schrift over de economie te zeggen heeft. Bovendien ontkent hij noodzaak tot een zelfstandige calvinistische economie: “Het calvinisme is geen economisch stelsel, het wil veel meer zijn, het is ook veel meer: levensopvatting en wereldbeschouwing. Het heeft ook geen eigen economisch systeem, wijl het beginselen verkondigt, voor welke, naar het meent, elk economisch stelsel zich buigen moet”.[28]

Opmerkelijk is dat Nederbragt in zijn boek uit 1921 constateert “dat Christenen, in Nederland zoowel als elders, moeten komen tot een geheel eigen beschouwing van de economie”, maar dat er feitelijk “ten onzent althans, nog geen poging gewaagd” is.[29] Het theoretische deel van De Vries’ Beginselen was inderdaad uitgebleven, maar Diepenhorst had rond deze tijd al diverse publicaties op het gebied van de calvinistische economie op zijn naam staan. Was Nederbragt niet bekend met dit werk, of kon hij zich er onvoldoende in vinden? Het laatste is aannemelijker, zeker in het licht van een recensie van Diepenhorsts Voorlezingen in wederom De Economist. Hoewel de recensent met het oog op het onderscheid tussen positieve en normatieve economie hoe dan ook kritisch is op diens project, lijkt hij oprecht teleurgesteld over het uitblijven van geslaagde proeve van calvinistische economiebeoefening: “hoeveel interessants Schrijver ook geeft en hoe aangename en onderhoudende lectuur de Voorlezingen ook bieden, een anti-revolutionaire of Rechtse oeconomie wordt door hem … niet gegeven; van de vervorming, die de oeconomie door de inwerking van den christelijken geest zou ondergaan, blijkt weinig of niets”.[30] Een dergelijke beoordeling van het boek zal weliswaar niet representatief zijn geweest voor het gereformeerde volksdeel, maar een soortgelijke gedachtegang kan voor Nederbragt reden zijn geweest om over zijn eigen boek van een eerste proeve te spreken.

Ridder

Ridder

Tot slot werd aan de calvinistische economie bijgedragen door Jan Ridder (1910-1946). Ridder studeerde net als Nederbragt economie aan de Nederlandsche Handels-Hoogeschool, alwaar hij in 1935 promoveerde tot doctor in de handelswetenschap op het proefschrift Een conjunctuur-analyse van Nederland, 1848-1860. Sindsdien werkte hij zich bij het ministerie van financiën via verschillende functies op tot thesaurier-generaal (1945-1946), één van de hoogste posities binnen het ministerie. Ridder heeft slechts enkele kleine studies op het gebied van de calvinistische economie kunnen publiceren, omdat hij in 1946 om het leven kwam bij een vliegtuigongeluk.

Net als zijn voorgangers zag Ridder de noodzaak van een ‘christelijke economie’, maar opvallend is dat hij in zijn eerste publicatie direct de aanval opent op Diepenhorst. Deze is volgens Ridder te kritisch ten aanzien van de bestaande scholen in de economie, onder meer door onvoldoende onderscheid te maken tussen theoretische economie en politieke economie. Calvinistische economisten zouden hun pijlen moeten richten op de laatste, door “in haar doeleinden zich te richten naar de eischen der Calvinistische ethiek en in haar middelen en maatregelen zich te houden aan een juist bevonden theoretische economie”. Er moet wel worden getoetst of de grondbeginselen van de theoretische economie niet in strijd zijn met de Heilige Schrift, maar hier is veelal geen sprake van: “vele grondbeginselen der moderne economie zijn eensluidend met die door de Calvinistische levens- en wereldbeschouwing worden erkend”.[31] In zijn latere publicaties werd deze verrassende conclusie door de jonge Ridder enigszins gerelativeerd. In de economie wordt zijns inziens te weinig gerekend met het feit van de zonde.

Alvorens over te gaan op het calvinistisch economisch denken nog twee algemene opmerkingen. Ten eerste valt op dat er verschillende namen voor deze onderneming in omloop waren. De Vries spreekt zowel van “calvinistische staathuishoudkunde” als “christelijke economie”, Diepenhorst van “calvinistische economie” en “economie naar christelijke belijdenis”, Neder-bragt van “christelijke economie” en eveneens “economie naar christelijke belijdenis”, en Ridder van “calvinistische” en “christelijke economie”. De naam van een vakgebied lijkt iets onschuldigs, maar afgezien van Ridder wijden de calvinistische economen vele pagina’s in hun werk aan deze kwestie.[32] Kuyper was heen reeds voorgegaan in een breedvoerig betoog over de naam ‘encyclopædie’ aan het begin van zijn Encyclopædie der heilige godgeleerdheid (1894), maar een belangrijkere inspiratiebron was Adam, die in het paradijs alle dieren namen gaf “naar hun aard”. Het wezen van de economische wetenschap moet daarom uitdrukking vinden in haar naam. Na veel wikken en wegen koos De Vries als enige voor ‘staathuishoudkunde’ en de anderen voor ‘economie’. “De slotsom van deze minder verheffende, maar niet-overbodige beschouwingen is alzoo”, zo concludeert Diepenhorst, “dat met geruste consciëntie onze wetenschap als economie of volkshuishoudkunde mag worden betiteld”.[33]

In de tweede plaats zal duidelijk zijn geworden dat er geen sprake was van een calvinistische school binnen de economie. Daarvoor lagen de calvinistische economen teveel met elkaar overhoop en was er te weinig samenwerking aan een gezamenlijk project. Wat deze economen echter gemeenschappelijk hadden was een streven, zij het in verschillende mate, naar een reformatie van het economisch denken. “Een Christelijke economie toch”, zo stelt Ridder nog in 1941, “wordt niet gekweekt door aan de uitloopers van de wetenschap hier en daar wat te snoeien, maar wel door deze in haar wortel te beïnvloeden en te pogen de economie van daaruit naar Gods gebod te richten”.[34] De manier waarop deze beïnvloeding werd vormgegeven verschilde per econoom, maar van de noodzaak was men zich terdege bewust. Deze was hen door Kuyper, die in 1920 was overleden, direct of indirect op het hart gedrukt.

4. Bestaansrecht van de calvinistische economie

De opkomst van de calvinistische economie past binnen een bredere trend van schoolvorming aan het eind van de negentiende en begin van de twintigste eeuw. De door Adam Smith geïnspireerde klassieke school in de economie, met economen als Robert Malthus, David Ricardo en Jean-Baptiste Say, oefende in deze periode nog altijd invloed uit, maar werd in toenemende blootgesteld aan kritiek. Naast socialistische en communistische stromingen was er de opkomst van de Duitse en Engelse historische scholen, de Oostenrijkse school en de Engelse neoklassieke school, die elk op hun eigen manier vraagtekens en kanttekeningen plaatsten bij de klassieke economie. Het valt buiten het bestek van dit artikel om in te gaan op de onderliggende marginal revolution en Methodenstreit die plaatsvonden in de economie (elk overzicht van de geschiedenis van de economie verhaalt ervan), maar leerzaam is wel om te bekijken waar de calvinistische economen zich in deze plaatsten. Waren zij eveneens kritisch op de klassieke school en wat onderscheidde hen eigenlijk van zojuist genoemde alternatieve scholen?

De calvinistische economie positioneert zich van meet af aan lijnrecht tegenover de klassieke school. “Verderfelijk”, zo typeert Diepenhorst haar in zijn inaugurele rede, die niet toevallig is gewijd aan een bespreking van de uitgangspunten en erfenis van de klassieken. De grootste dwaling van de “oude economie”, zo redeneert Diepenhorst, is dat het de economische wetenschap baseerde op de homo economicus, een abstracte mens die door eigenbelang en materieel egoïsme wordt gedreven. Adam Smith cum suis beweerden weliswaar niet dat er bij de mens geen andere drijfveren zijn te vinden, maar stelden wel dat de economie slechts met het eigenbelang van de mens had te rekenen. Dit abstracte en hypothetische karakter werd als snel vergeten, waarna de fictie van een economie als een verzameling van zelfzuchtige Robinson Crusoë’s een eigen leven ging leiden. Voor de veelvormigheid van het economische leven en het idee van de mens als een verantwoordelijk wezen, laat staan voor het belang van morele en religieuze motieven in de ontwikkeling van de economie, was volgens Diepenhorst geen aandacht. Zijn conclusie, die zoals we verderop zullen zien nog op meer onvrede was gebaseerd, laat niets te raden over: “Zal de economie zich goed kunnen ontwikkelen, dan dient met het uitgangspunt der klassieken te worden gebroken”.[35]

Diepenhorst is evenmin te spreken over de neoklassieke economie. Economen als Alfred Marshall zouden weliswaar bezwaren uiten tegen de klassieke school, maar nog altijd partij kiezen voor hun voorgangers. Positiever is hij over de historische scholen en dan met de name de Duitse ‘oudere’ school onder leiding van Wilhelm Roscher, Bruno Hildebrand en Karl Knies. Diepenhorst sprak in zijn Calvijn en de economie reeds zijn sympathie uit voor de Duitsers en zou deze tot het eind van zijn carrière behouden. Lovenswaardig vond hij onder meer hun aandacht voor de invloed van religie op economie, hun nadruk op de “zedelijke roeping” van de economie, de historische en dus niet-abstracte benadering van economische vraagstukken, en het oog hebben voor het organische karakter van de samenleving. Hiermee is overigens niet gezegd dat hij zich kritiekloos in de historische school kon vinden. Eén van de “gevaarlijke elementen” was volgens Diepenhorst haar evolutionistische standpunt, i.e. het idee een zich naar tijd en plaats verschillend ontwikkelende economie, waarbij dus niet meer van universele normen voor het economische leven kon worden gesproken. “De Historische school”, zo stelt Diepenhorst met verwijzing naar haar evolutionistische trekken vast, “is onbekwaam, om het economische leven onder de heerschappij van eeuwige beginselen te brengen”.[36]

Dat er uiteindelijk met zowel de klassieke als historische scholen moest worden gebroken, was niet slechts een strikt economische kwestie. Een positie die van het begin af aan door de calvinistische economen werd ingenomen is “[d]at er een nauw verband bestaat tusschen de economie eenerzijds en andererzijds de levensbeschouwing, die men aanhangt, de opvattingen welke men omtrent godsdienst, recht en zedelijkheid huldigt”.[37] Bedoeld werd dat hogere geestelijke principes – al dan niet onbewust – invloed uitoefenen op het economisch denken, en dat deze dat ook zouden moéten doen. De Vries concludeert aan het eind van zijn lezing over revolutie en evolutie in de staathuishoudkunde dan ook in één adem “dat de hoofdrichtingen in de economie gestadig verband hebben gehouden met de levens- en wereldbeschouwingen, die achtereenvolgens tot heerschappij kwamen” en daarom “evenzeer de Christelijke levens- en wereldbeschouwing bij de ontwikkeling harer beginselen tot een eigen Christelijke economie moet leiden”.[38] Het bestaansrecht van de calvinistische economie was dus niet alleen gebaseerd op de kritiek die vanuit deze traditie op het heersende economische denken mogelijk was, maar ook op de gedachte dat elke levensbeschouwing economisch vertegenwoordigd zou moeten worden.

Juist vanwege de wisselwerking tussen levensbeschouwing en economisch denken was bestrijding op het niveau van economische theorieën niet voldoende. Interessant genoeg maakt Diepenhorst in zijn inaugurele rede niet zozeer verwijten richting de klassieke economen zelf, maar zoekt hij de schuld bij het religieuze denkklimaat waarbinnen de economische wetenschap opkwam: het achttiende-eeuwse deïsme. Want, zo schrijft hij, “elke fundamenteele dwaling in de religie [is] ook eene fundamenteele fout in de economie”.[39] Het verderfelijke individualisme en materialisme van Smith en zijn leerlingen vloeide rechtstreeks voort uit het door hen ingeademde deïsme, “niet meer dan een verguld atheïsme”. Een soortgelijke gedachtegang treffen we aan in de zojuist genoemde lezing van De Vries. Het individualisme en revolutionaire van de “liberale staathuishoudkunde”, waaronder zowel de klassieke school als de Franse fysiocraten worden gerekend, zouden voortkomen uit ongeloof. Historisch gezien, zo stelt De Vries, “leidde het Rationalisme tot Deisme; het Deisme tot Atheisme in gestadige vijandschap tegen het Christelijke geloof, en het Atheisme tot bandeloos individualisme in staat en maatschappij”.[40] De historische school alsmede het marxisme zochten zijns inziens in reactie hun heil in de levens- en wereldbeschouwing van de “anti-christelijke” evolutieleer.

5. Grondbeginselen van de calvinistische economie

Om tot een zinvolle en waarheidsgetrouwe economie te komen, moet dus worden uitgegaan van de juiste levensbeschouwelijke uitgangspunten. In calvinistische kring wordt in dit verband graag gesproken van ‘grondbeginselen’. “Ook de Calvinistische levens- en wereldbeschouwing berust op grondbeginselen”, zo stelt De Vries nuchter vast, “die op de vraagstukken van de staathuishoudkunde een eigen licht werpen”.[41] De indruk dat hiermee de grens tussen positieve en normatieve economie wordt uitgewist is juist. De heersende gedachte er een voraussetzungslose, objectieve economische wetenschap kan bestaan zonder vooraf vastgestelde beginselen is volgens Diepenhorst een “legende”. Het waarnemen van de feiten wordt volgens hem beïnvloed door de subjectiviteit van de econoom en vindt bovendien plaats tegen de achtergrond van de beginselen die hij aanhangt. Beter dan de indruk te wekken dat economie neutraal is, is daarom om deze uitgangspunten expliciet te maken. De calvinistische economen waren er van overtuigd dat de grondbeginselen voor de economie moesten worden ontleend aan de Heilige Schrift, en wel in haar calvinistische interpretatie. Deze grondbeginselen zullen hieronder worden samengevat.

Het belangrijkste calvinistische beginsel en daarmee uitgangspunt voor de calvinistische economie is de absolute soevereiniteit Gods: de belijdenis dat aan God als schepper alle macht heeft in de hemel en op aarde en dat Hem het hoogste gezag toekomt. Op de erkenning dat al het geschapene is onderworpen aan Gods wetten en ordinantiën vormt de economie geen uitzondering. Ook op economisch gebied gelden er levenswetten waar de mens mee dient te rekenen, en die hij alleen tot zijn eigen schade en schande kan overtreden. We zagen reeds bij Kuyper wat de soevereiniteit van God betekent voor de plaats van de economie in de samenleving. De kring van de economie is in principe niet ondergeschikt aan kerkelijke of politieke autoriteit, maar heeft een eigen door God verleende vorm van gezag en recht waardoor deze zich kan ontplooien. In deze organische opvatting van de samenleving, aldus Diepenhorst, “wordt het economische leven geadeld, ontvangt ook de wetenschap der economie hoogere wijding”.[42] Het calvinisme erkent dus de betekenis van het economisch leven.

Nauw verbonden met de soevereiniteit is Gods voorzienigheid. Volgens dit leerstuk heeft God de tijdelijke werkelijkheid na de schepping niet aan haar lot overgelaten, maar onderhoudt, begeleidt en bestuurt Hij deze voortdurend naar een goddelijk plan. Aangezien de voorzienigheid betrekking heeft op alles wat er in, op en boven de aarde gebeurt, vallen ook het economisch leven en de economische ontwikkeling onder Gods bestuur. Omdat Gods raadsbesluiten deels voor de mens verborgen zijn, kan Gods hand in de economie niet altijd worden aangewezen. Maar zonder erkenning van de voorzienigheid is het volgens De Vries bijvoorbeeld onverklaarbaar waarom het mercantiele stelsel in Frankrijk onder Lodewijk XIV tot weelde en vervolgens verderf leidde, en in Engeland onder Cromwell en de Puriteinen resulteerde in grote welvaart en geestkracht. “Zonder de erkenning van Gods Voorzienig bestuur, van Zijn Woord en Zijn Wet”, zo luidt een andere les uit de geschiedenis, “is nog nooit de welvaart van eenig volk op den duur gewaarborgd is geweest”.[43] De erkenning van Gods voorzienigheid heeft dus zowel een positieve als een normatieve component.

Zowel Diepenhorst als De Vries openen in dit verband de aanval op de Engelse socioloog Herbert Spencer.[44] Deze beweerde in The Study of Sociology (1873) dat een calvinistische wetenschap der sociologie vanwege het leerstuk van de voorzienigheid niet mogelijk is. Het geloof dat God zich voortdurend met de schepping bemoeit en zelfs op wonderbaarlijke wijze in de natuur en de samenleving kan ingrijpen, zou volgens Spencer impliceren dat er niet kan worden gesproken van wetten en regulariteiten in het sociale leven. Ook de economische wetenschap zou hiermee op het spel komen te staan. Volgens Diepenhorst en De Vries komt deze misvatting bij Spencer voort uit een gebrek aan kennis van het calvinisme. Zij leert immers niet dat de voorzienigheid Gods een optelsom is van onsamenhangende en willekeurige ingrepen van God, maar dat diens zorg en regering primair tot uiting komen in de aan de schepping opgelegde orde en regelmaat en de instandhouding ervan. Juist de calvinistische belijdenis van een door God geschapen kosmos “doet den zin naar wetenschap geboren worden, en maakt ware wetenschap mogelijk”.[45] Wonderen, zo voegt De Vries nog toe, zijn excepties die zich in veel gevallen ook nog eens voltrekken via secundaire oorzaken.

Vervolgens is er binnen de calvinistische economie de erkenning van de zonde. Door de zondeval en de erfzonde is de mens van nature niet goed en onschuldig, maar geneigd tot alle kwaad. In economische zin leeft de mens niet langer in een aards paradijs, moet hij werken in het zweet zijns aanschijns, en brengt de aarde doornen en distels voort. De calvinistische econoom die zich het meest uitgebreid heeft uitgelaten over de consequenties van deze leerstelling voor de economie is Ridder. De ware christelijke economie onderscheidt zich zijns inziens bij uitstek van andere economische richtingen door haar erkenning van de doorwerking van de zonde op het terrein van de economie. Het kwaad komt tot uiting in “disharmonische” ontwikkelingen als crises, inflaties, recessies, conjunctuurverschijnselen, armoede en werkloosheid. Ook de grote (weliswaar niet allesbeheersende) rol die het eigenbelang in het economisch leven speelt, is een bittere vrucht van de zondeval. Ridder hekelt dan ook die economen in de fysiocratische, klassieke en Oostenrijkse school die, al dan niet geïnspireerd door een deïstisch optimisme, een natuurlijke harmonische economische ontwikkeling leerden. “Dit geloof was ongeloof, want het miskende de invloed van de zonde”.[46] Inmiddels was het idee van een natuurlijk evenwicht der economische krachten wel verheven tot het basisbeginsel van de moderne economisch theorie. Ridder keert zich overigens evenzeer tegen economen die beweren dat het economisch leven zich in wezen disharmonisch ontwikkelt, en op grond daarvan staatsinmenging verdedigen. Een dergelijke positie miskent het bestaan van scheppingsordinantiën voor het economische. De zonde verstoort weliswaar de economische harmonie in de schepping, maar heft deze niet op.

Dat er ondanks de zonde nog sprake kan zijn van economisch leven is volgens de calvinistische economen een vrucht van de algemene genade. In tegenstelling tot de particuliere of bijzondere genade voor de uitverkorenen, staat Gods ‘gemeene gratie’ voor de weldaden die Hij aan de gehele mensheid verleent zonder onderscheid te maken tussen gelovigen en ongelovigen. Zonder de algemene genade, die de doorwerking van de zonde tempert, zou er geen leven en ontwikkeling meer mogelijk zijn en zou het samenleven in een chaos vervallen. Dat de in zonde gevallen mens nog in staat is om in zijn levensonderhoud te voorzien en er zelfs sprake kan zijn van stoffelijke rijkdom is eveneens aan Gods goedheid te danken. “Dat er alzoo een volksleven in huishoudelijken zin, een volkswelvaart in stoffelijken zin, een voortbrengen, verdeelen en verbruiken van goederen, alzoo een staathuishoudkundig leven is ontstaat, is niet anders dan een vrucht van de gemeene gratie”,[47] schrijft De Vries. Ook de in de loop der geschiedenis opgedane kennis over de economie en de opgekomen economische wettenschap moeten zijns inziens aan deze genade worden toegeschreven.

Ridder onderschrijft het laatste en trekt hieruit de conclusie dat calvinistische economen niet per definitie afkeurend moeten staan tegenover economen die uitgaan van andere, niet-christelijke beginselen. Er zou anders “worden te kort gedaan aan Gods gemeene gratie, die ook voor onderzoekers, die niet naar Zijn Woord leven, het mogelijk maakt de waarheid te benaderen”.[48] Het is immers niet ondenkbaar dat dergelijke economen werkzaam zijn in omgevingen waar het christelijk denken haar invloed heeft behouden en zij dus onbewust de christelijke grondbeginselen meekrijgen. Een andere reden, die Ridder elders geeft, is dat er ten diepste geen tegenstelling tussen calvinistische en niet-calvinistische economie kán bestaan. Beiden onderzoeken immers dezelfde door God geschapen economische werkelijkheid, waarbij voor calvinistische economen geldt dat wat zij ontlenen aan Gods Woord evenmin hiermee in tegenspraak kan zijn.

Wat ondanks de zondeval ook overeind is gebleven is de centrale plaats van de mens. Deze wordt binnen de calvinistische economie niet gezien als een product van blinde evolutie, maar als een schepsel van God. De voorname plaats van de mens binnen Gods schepping blijkt daaruit dat hem het rentmeesterschap is gegeven over de hele natuur en bovendien dat hij als hoogste wezen op God gelijkt. Vandaar dat Diepenhorst concludeert dat “in het middelpunt van alle economische beschouwingen dient te staan de naar Gods beeld geschapen mensch”.[49] De economie mag zijns inziens niet worden gereduceerd tot een warenleer, waarbij goederen als beslissend element in de economie worden aangemerkt, maar dient de mens en diens arbeid en waardering als uitgangspunt te nemen. Ook Nederbragt stelt dat de mens in de economie op de eerste plaats komt. De zonde doet hier niets aan af, want de oorsprong van economie ligt volgens hem vóór de zondeval. De mens ontving in het paradijs het “charter, de instellingsbrief” van de economie toen God sprak: “Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt, en vervult de aarde, en onderwerpt haar, en hebt heerschappij over de visschen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over al het gedierte, dat op aarde kruipt”. Dat de mens in de economie op de eerste plaats komt, betekent dan ook dat de uitbouw van het menselijk geslacht en de uitoefening van heerschappij alsmede rentmeesterschap over al het geschapene weer serieus wordt genomen.

Het toekennen van een centrale plaats aan de mens betekent overigens niet dat deze wordt gezien als de maat van alle dingen. Uitdrukkelijk keert de calvinistische economie zich tegen alle vormen van economisch individualisme. Het zijn juist Gods intenties en geboden die in alle gevallen leidend moeten zijn, maar onderdeel daarvan is dat het beelddrager van God-zijn te allen tijden in stand moet worden gehouden. De mens is een met ziel en rede begiftigd wezen en mag om die reden niet worden gereduceerd tot arbeidskracht of consument. De “fictie” en “fantasie” van de homo economicus, populair in de klassieke school, wordt door calvinistische economen dan ook vurig bestreden. Onderkend wordt wel dat het bij de economische mens, i.e. een uitsluitend door eigenbelang gedreven wezen, gaat om een wetenschappelijke abstractie, maar deze wordt misleidend en nutteloos geacht.

Samenvattend vormen de soevereiniteit en voorzienigheid Gods, de zondeval van de mensheid en de algemene genade, en de mens als beelddrager van God de vijf grondbeginselen van de calvinistische economie. De Vries spreekt over deze beginselen als “axioma’s”, die door christen-wetenschapper als volkomen zeker worden aangenomen. De gedachte dat hierdoor een conflict kan optreden tussen geloof en wetenschap verwerpt hij. Alle wetenschap, zo stelt De Vries, begint met het geloof in grondstellingen, hypothesen en axioma’s en hierin is calvinistische wetenschap niet uniek. Waar Rousseau en de “school van het rationalisme” uitgingen van de onbedorvenheid van de menselijke natuur, Darwin en Marx en de “school der evolutie” een evolutionair ontwikkelingsproces veronderstelden, zo “begint de Christelijke wetenschap te gelooven aan Gods Souvereiniteit, schepping, zondeval, openbaring, genade, laatste oordeel en wederherstelling aller dingen naar den eeuwigen raad Gods”.[50] De tegenstelling tussen christelijke en “ongelovige” wetenschap begint dus al bij een verschil in uitgangspunten waar geloof aan wordt gehecht. Hetzelfde geldt voor de staathuishoudkunde.

6. Doel en voorwerp van de calvinistische economie

Na vaststelling van de grondbeginselen komt de vraag op wat de calvinistische economie nu eigenlijk bestudeert (haar voorwerp) en waar zij toe dient (haar doel).

De econoom die zich het meest uitgebreid over deze thematiek heeft uitgesproken is De Vries. Wat de doelstelling van de economie betreft maakt hij een onderscheid tussen de wetenschap der economie en politieke economie. “De staathuishoudkundige wetenschap”, zo schrijft hij, “doelt op de kennis van de regels en ordinantiën die God voor het leven op dit terrein heeft besteld, de staathuishoudkunde doelt op het practisch handelen van den mensch overeenkomstig de door de wetenschap gevonden ordinantiën Gods”.[51] Het is dus de taak van de economie om Gods wetten voor de economie, bijvoorbeeld met betrekking tot arbeidsverhoudingen, de verhouding tussen arbeid en rust, en het voortbrengen, verhandelen en gebruik van goederen, op te sporen. Het is aan de politieke economie om te onderzoeken hoe deze regels in praktijk kunnen worden gebracht en hoe de economie er naar kan worden ingericht. In tegenstelling tot de politieke economie is de wetenschap der economie ook een doel in zichzelf. Kennis van de economie geeft inzicht in de schoonheid en het intelligente ontwerp van de schepping en draagt zo bij aan de verheerlijking van Gods naam.

Aan de bepaling van het object der economie besteedt De Vries maar liefst 63 pagina’s, verdeeld over 6 hoofdstukken. De vraag waar de economie zich op moet richten is zijns inziens niet iets neutraals, maar gerelateerd aan de levensbeschouwing van de econoom. Het object der economie hangt immers samen met de visie de men heeft op wat alle wetenschappen tezamen moeten nastreven en dus de visie op deze werkelijkheid zelf. De Vries ontleent zijn definitie van het object van de economie uiteindelijk aan “wat Dr. A. Kuyper aan het Calvinisme schonk in zijn doorwrocht werk over De Gemeene gratie”. Voor de calvinistische staathuishoudkunde is niet de geestelijke leiding der Kerk over het maatschappelijke leven, noch de leer van den rijkdom of van het vrije ruilverkeer, noch ook de leer van den gemeenschapsdwang, maar de stoffelijke behoeften van den mensch object van haar onderzoek in dien bepaalde zin, dat daarmee een afzonderlijk terrein van menschelijke kennis met eigen levens-ordinantiën is gegeven met het doel om Gods gemeene gratie in het ontwikkelen en in logisch beeld brengen dier levensordinantiën te verheerlijken en met het gevolg dat daarmee de stoffelijke welvaart van den mensch het best zal worden bevorderd.[52]

Het object, doel en gevolg van de ware economiebeoefening hangen dus nauw met elkaar samen. Duidelijk is ook dat De Vries expliciet afstand neemt van de opvattingen zoals die leven bij Rooms-katholieke economen (geestelijke leiding), mercantilisten en liberale economen (rijkdom en vrij ruilverkeer), en socialisten (gemeenschapsdwang). We kunnen hier niet op zijn uitgebreide beschouwingen ingaan, maar het is van belang te constateren dat De Vries hun definities van het object van de economie op levensbeschouwelijke gronden afwijst. Niet in de eenzijdigheid van de welvaart der volkeren, monetaire rijkdom of de economische staatsmacht, maar in de stoffelijke behoeften van de mens, gericht op Gods plan met mensen, vindt de calvinistische economie haar veld van onderzoek.

Diepenhorst laat zich in tegenstelling tot De Vries niet nadrukkelijk uit over het gewenste onderzoeksobject van de economie. Hij kan zich vinden in de in zijn tijd gebruikelijke opvatting dat de economie zich richt op het stoffelijk welvaartsstreven als één van de levensuitingen van de mens, maar heeft ook oog voor nieuwe theorieën die het psychologische aspect van economisch gedrag benadrukken. Een definitie van het object der economie (in de geest van Lionel Robbins) als “de verzorging der menschheid met beperkt voorradige bevredigingsmiddelen”, waarbij deze middelen zowel stoffelijk als geestelijk van aard kunnen zijn, wordt door hem dan ook niet expliciet afwezen. Wel is Diepenhorst van mening dat het stoffelijke maatschappelijke leven reeds voldoende vragen oproept voor een zelfstandige economische wetenschap. “De verhouding van den mensch tot de stoffelijke wereld is een gewichtvol probleem, waarop reeds in de scheppingsordinantie wordt gedoeld. ’s Menschen materiëele behoeften vormen een bijzondere drijfkracht, welke een complex van instellingen en verschijnselen in het leven roept, dat zeer wel het object eener zelfstandige wetenschap kan vormen”.[53]

Over het doel van de economische wetenschap, dus waartoe zij zou moeten worden beoefend, rept Diepenhorst in zijn leerboeken nauwelijks. In zijn eerdere publicaties zijn hier wel aanzetten toe te vinden. Zo stelt hij in zijn Calvijn en de economie dat binnen de calvinistische levens- en wereldbeschouwing het zoeken naar stoffelijke welvaart wordt verheven tot een goddelijk gebod. Het bevorderen van de stoffelijke welvaart van de mens zou daarmee het doel van de economie kunnen zijn. In zijn inaugurele rede sluit Diepenhorst zijn betoog af met de woorden dat de economische wetenschap “wordt gedragen door de gedachte dat de Heere den mensch ook voor de aardsche goederen eene roeping heeft gegeven”.[54] Bij de oordeelsdag, zo vervolgt Diepenhorst, zal haar worden gevraagd of de stoffelijke goederen zijn aangewend tot de verheerlijk van Gods naam. Dit zou betekenen dat het in de economie gaat om de juiste aanwending van economische goederen.

Nederbragt definieert economie in een hoofdstuk over de ‘Ontleding en omschrijving der economie’ als “de leer van de wijze, waarop de mensch heeft huis te houden met de stoffelijke goederen, a. ter vervulling der taak, door God hem opgedragen in zake zijn eigen verzorging, b. als mede-arbeider Gods aan de volle ontplooiing en ontwikkeling der stoffelijke wereld, en c. tot verhaasting der voleinding der wederkomst van Christus”.[55] Om te beginnen is de economie dus geen leer van de rijkdom, maar een goederenleer (merk op dat Diepenhorst zich hiertegen verzette). De eerste opvatting is “anti-christelijk” omdat het rijkdom ten diepste definieert in termen van aards bezit. Stoffelijke goederen, zo stelt Nederbragt, zijn ondergeschikt aan geestelijke goederen en zielegoederen die de mens het ware geluk geven. Een theorie der economie naar christelijke belijdenis mag zich er niettemin mee inlaten, want hoewel op zichzelf van generlei waarde voor het levensgeluk, krijgen stoffelijke goederen waarde in het licht van het ware geluk. Bovendien is het vergaren van stoffelijke goederen geen doel op zichzelf, maar past het blijkens de onderdelen a. – c. binnen de scheppingsopdracht zoals die ooit door God was gegeven. De mens is medearbeider in het plan van God met deze wereld. Het is alleen om die reden, aldus Nederbragt, dat de “Christen-econoom noodwendig enthousiast voorstander en bevorderaar moet zijn van alle economische, ook technische ontwikkeling”,[56] omdat deze de wederkomst van Christus bespoedigen.

Bij Ridder is de erkenning van de zonde niet alleen één van de belangrijkste grondbeginselen van de calvinistische economie, maar heeft het ook directe gevolgen voor haar doelstelling. Door de zondeval is de goddelijke waarheid omtrent het economische in de wereld verborgen en is de zoektocht naar een sluitend economisch systeem gedoemd te mislukken. De taak van de “Christen-economist” is dan ook niet de bouw van een alomvattend denksysteem, maar het opsporen, nagaan en formuleren van Gods ordinantiën voor het economische leven. Want alleen in het licht van Gods wil wordt de zonde in de economie zichtbaar en is een effectieve bestrijding en indamming ervan, te beginnen door het individu zelf en in het uiterste geval door de staat, mogelijk.

De calvinistische studie van de economie zal zich volgens Ridder in eerste instantie moeten richten op het individueel economisch handelen, ofwel de micro-economie. Het is namelijk langs deze weg dat de zonde het economische leven binnenkomt. Het consumptie-gedrag is de motor achter alle andere economische processen en de keuzes die het economisch subject in deze maakt zijn bepalend voor de hele economie. Ter bestrijding van de zonde moet de mens “onderdrukken de behoeften, welker bevrediging Gode niet welgevallig is maar evenzeer de behoeften waarvan de bevredigingsmiddelen zondig zijn”.[57] In deze “persoonlijke bekering” en “heiliging van het economisch leven” ligt ook een taak voor de economische wetenschap, want deze kan de relatie tussen het individueel economisch handelen en grotere economische processen inzichtelijk maken.

Tot slot zij erop gewezen dat de calvinistische economen bewust spreken van het zoeken naar goddelijke ordinantiën en niet van wetten. De laatste term suggereert namelijk dat er in de economie onveranderlijke natuurwetten zouden gelden, en dit werd door hen juist fel bestreden. Diepenhorst zag de natuurwettelijke opvatting van economie, waarbij het opsporen van wetten het hoofdprobleem wordt, als één van de grootste dwalingen van de klassieke school. En wel daarom omdat de natuurwetenschappelijke methode niet toepasbaar is op het economisch handelen. “In het feit, dat de mensch een verantwoordelijk wezen is, dat allerlei geestelijke grootheden werken, ligt de klove, die de natuurwetenschappen ook van de economie scheidt”,[58] aldus Diepenhorst. Ridder sluit zich bij hem aan en stelt dat Gods ordinantiën voor het economische domein altijd “normatief” zijn. De mens is inderdaad een verantwoordelijk subject dat een vrije redelijke keus heeft om ze wel of niet op te volgen. “Het is een der grondwaarheden van het Christendom”, zo schrijft Ridder, “dat dit opvolgen uit vrije overtuiging dient te geschieden”.[59]

7. Methode van de calvinistische economie

Welke methode moest er volgende de calvinistische economen worden gevolgd om, uitgaande van de grondbeginselen, het gewenste doel in de economie te bereiken?

Volgens De Vries kan de methode van de calvinistische economie niet los worden gezien van de onderliggende levensbeschouwing. Een methode omvat namelijk niets slechts een visie op de wetten van het logisch denken, maar hangt ook samen met de opvatting van de werkelijkheid. In de calvinistische economie is naar zijn mening noch de deductieve noch de inductieve methode bruikbaar. De deductieve methode, waarbij kennis over specifieke gevallen worden afgeleid uit algemene axioma’s, werd immers aangehangen door de klassieke school. De klassieken geloofden in de vruchtbaarheid van deze methode omdat men uitging van natuurwetten in de economie die als axioma’s konden dienen. De inductieve methode, die volgens De Vries wordt aangehangen in evolutionaire stromingen binnen de economie, probeert juist uit de veelheid van concrete verschijnselen algemene regels te ontlenen. De school der evolutie kan vanwege haar geloof in verandering niet uitgaan van altijd geldende natuurwetten en moet daarom kennis induceren. Omdat beide methoden (en gerelateerde methoden als de mathematische, psychologische en sociobiologische) volgens De Vries aan grote eenzijdigheid lijden en voortkomen uit verkeerde grondbeginselen zijn deze op zichzelf genomen onaanvaardbaar.

De enige juiste weg tot kennis voor de calvinistische economie is de “receptieve, dat is die methode die van Goddelijke Openbaring licht ontvangt”.[60] Volgens deze methode, die door de auteur ook wel simpelweg als “Christelijke methode” wordt aangeduid, moeten calvinistische economen in eerste instantie hun oor te luister leggen bij de economische opvattingen van de Heilige Schrift. De rol van de deductieve en de inductieve methode is hiermee niet uitgespeeld. Na kennis te hebben genomen van de Schriftuurlijke opvatting inzake een bepaald economisch vraagstuk kan de calvinistische econoom alsnog zowel inductief de economisch feiten beoordelen als deductief consequenties afleiden uit de Bijbelse grondbeginselen.

Wat het betekent om bij het licht der Openbaring economie te bedrijven wordt door De Vries uiteengezet in een apart hoofdstuk. In de Schrift vindt de calvinistische econoom onder meer beginselen, voorschriften, geboden en ordinantiën voor het economische leven. Het betreffen hier niet zozeer de grondbeginselen waar de economische wetenschap zelf op moeten worden gebouwd, maar goddelijke leefregels die heilzaam zijn voor de economie. Hoe het er aan toe dient te gaan in het economisch leven kan onder meer worden opgemaakt uit de levenswijze van het volk Israel, Jezus’ omwandeling op aarde, en het doen en laten van de apostelen en de eerste christengemeenten.

Een soortgelijke voorkeur voor de receptieve methode vinden we terug bij Nederbragt. Zonder de term te gebruiken, is ook hij ervan overtuigd dat de leidende vraag voor de calvinistische econoom dient te zijn “wat zegt de Schrift?”. In algemene zin is het volgens Nederbragt het hoogste ideaal van het calvinisme om “voor elk gebied des levens den eisch van het Woord tot klaarheid en toepassing te brengen … ook voor de economie”.[61] De Schrift is weliswaar geen economisch handboek, maar is wel vol met economie. De christen die de economie bestudeert, kan eenvoudigweg niet om Gods openbaring heen, niet in de laatste plaats omdat de Schrift expliciet ingaat op allerlei economische vraagstukken. De boeken van Nederbragt zelf zijn het toonbeeld van een receptieve economiebeoefening. De enige autoriteit die erin wordt geciteerd en aangehaald is de Bijbel en voortdurend wordt er gezocht naar wat Gods woord over de economische vraagstukken in kwestie te zeggen heeft. Zelf zegt Nederbragt over de relatie tussen economie en openbaring “dat m.i. ook in de wetenschap der economie het hoogste moet zijn, als eenmaal Maria te zitten aan de voeten van Jezus en te luisteren naar Zijn stem”.[62]

Diepenhorst neemt de term ‘receptief’, die in onderscheid van inductief en deductief ook door Kuyper werd gebezigd, evenmin van De Vries over. Zijn standpunt ten opzichte van de methodenstrijd is evenwel hetzelfde. “Bij het licht van der Openbaring, acht slaand op de historische ontwikkeling, de werkelijkheid doorvorschend, moet de beoefenaar der economie deductie en inductie harmonieus doen samengaan”, aldus Diepenhorst.[63] Toch heeft het idee van economiebeoefening in het licht van Gods Woord bij hem een minder sterke nadruk. De Bijbel mag zijns inziens niet worden beschouwd als een economisch handboek met precieze aanwijzingen en wetten voor het economische leven, omdat een verkeerde interpretatie van en een onjuist beroep op bijbelteksten op de loer liggen. Maar omdat van het christendom voor het economisch denken en handelen een rijke zegen kan uitgaan, “kan ook de aandachtige overweging van de Heilige Schrift bij de bestudeering van volkshuishoudkundige problemen niet worden gemist”.[64] Diepenhorst is wel verweten zelf niet geslaagd te zijn in het relevant maken van de Schrift voor het economisch denken. Deze beoordeling laat ik aan de lezer van zijn werk zelf over, maar duidelijk is dat dit wel zijn intentie was.

8. Slot

Het jaar 1948 kan worden beschouwd als het eindpunt van bijna een halve eeuw calvinistische economiebeoefening. Diepenhorst legde zijn ambt als hoogleraar staathuishoudkunde aan de juridische faculteit neer, en aan de VU werd in hetzelfde jaar de Faculteit der Economische en Sociale Wetenschappen opgericht.[65] De uitgesproken calvinistische en normatieve benadering werd binnen deze faculteit niet voortgezet. De eerste hoogleraren, Z.W. Sneller, F.L. van Muiswinkel, J. Zijlstra en F. de Roos, waren afkomstig van de Nederlandse Economische Hogeschool (voorheen Nederlandsche Handels-Hoogeschool) te Rotterdam en waren beïnvloed door de economen als John Maynard Keynes (diens General Theory of Employment, Interest and Money uit 1936 “ging erin als een nieuw evangelie”) en Knut Wicksel. Hun methodologie maakte een veel striktere scheiding tussen positieve en normatieve economie en verwees levens- en wereldbeschouwelijke kwesties naar de economische politiek. Diepenhorst werd aan de juridische faculteit opgevolgd door T.P. van der Kooy, die evenmin van een dergelijke scheiding wilde weten, maar de calvinistische economie raakte hoe dan ook ondergesneeuwd door de waardevrije benadering van de uit Rotterdam afkomstige economen.

Buiten de economische faculteit van de VU bleef het calvinistisch economisch denken wel voortbestaan, maar dan vooral onder invloed van de ‘Wijsbegeerte der Wetsidee’. Deze door H. Dooyeweerd en D.H.Th. Vollenhoven aan dezelfde universiteit ontwikkelde calvinistische of reformatorische wijsbegeerte genoot aanzienlijke populariteit en had ook het nodige te zeggen over de plaats en de doelstellingen van de economische wetenschap.[66] Bij Ridder zijn de eerste invloeden van deze wijsbegeerte al zichtbaar. Elk economisch stelsel, zo redeneert hij, heeft een wijsgerige grondslag en is opgebouwd onder invloed van religieuze veronderstellingen. Een waarlijk christelijke economie is daarom “slechts mogelijk, wanneer – zooals de Calvinistische wijsgeer Dooyeweerd dit uitdrukt – deze basis niet wordt gezocht bij immanentie-philosophie, maar het archimedisch punt van dit totale economisch stelsel wordt gevonden in de vastigheid, welke gelegen is in de openbaring Gods in Christus. De grondwaarheden van het Christendom dienen richtsnoeren te zijn voor den uitbouw van de economische wetenschappen”.[67] Ook latere economen aan de VU, waarvan B. Goudzwaard wellicht de bekendste is, waren schatplichtig aan de Wijsbegeerte der Wetsidee.

Op de invloed en de betekenis van de calvinistische economie tussen 1880 en 1948 kan hier niet worden ingegaan. Interessant is wel om te vermelden dat Diepenhorst in zijn terugblik op de economiebeoefening in de eerste helft van de twintigste eeuw de ontwikkeling van de calvinistische economie zelf niet aan de orde stelt. Wel meent hij, met verwijzing naar Ridder (“wiens tragisch vroeg sterven ook voor de Vrije Universiteit hoopvolle verwachtingen afsneed”), dat de nieuwe economische faculteit aan een gewichtige taak heeft te vervullen in een verdere ontsluiting van de economie op basis van de grondwaarheden van het christendom. Deze arbeid zou zich volgens Diepenhorst vooral moeten richten op het economisch mensbeeld. Naast een voortdurende verfijning van economische begrippen en theorieën en de verandering van de economie als een goederenleer in een wetenschap van het menselijk welvaartstreven, neemt hij in de twintigste-eeuwse economie namelijk ook een toenemende aandacht voor het “antropocentrisch karakter der economie” waar. De erkenning dat de werkelijke mens en niet de homo economicus in het middelpunt van de economische beschouwingen staat wordt door hem vanzelfsprekend toegejuicht, maar bij de nieuwste theoretische vertalingen heeft Diepenhorst zijn twijfels.

In de bestudering van het menselijk welvaartsstreven zou de economie zich niet moeten beperken tot kwantiteitsbeschouwingen (dat wil zeggen de materiële kant van het economisch probleem), maar ook moeten letten op de subjectieve waardeschattingen en de achterliggende drijfveren en ethische overwegingen. De opbouw van een economie kan namelijk alleen succesvol zijn als er rekening wordt gehouden met hoe de mens werkelijk is en hoe hij werkelijk in het maatschappelijk verkeer optreedt. Het Bijbelse uitgangspunt dat de mens in zonde ontvangen en geboren is, maar niettemin de beelddrager van God is en geroepen is om schepping te vervolmaken, moet daarbij leidend zijn. Zeker in dit licht moet Diepenhorst concluderen dat “de wetenschappelijke economische publicaties, getuigend van en gebouwd op het geloof in God, die de schepping onderhoudt en regeert, pijnlijk schaarsch [zijn]. Secularisatie der economie moet ook tot de karaktertrekken van haar ontwikkeling in de 20e eeuw worden gerekend”.[68]


[1] P.A. Diepenhorst, Calvijn en de economie (Wageningen: Vada, 1904), p. 20.

[2] T. de Vries, Beginselen der Staathuishoudkunde, deel I, Inleidend gedeelte (’s-Gravenhage: T.C.B. ten Hagen, [1904]), p. vi.

[3] C.A. Verrijn Stuart, ‘Mr. T. de Vries. Beginselen der Staathuishoudkunde. I. Inleidend gedeelte’, De Economist, vol. 53, no. 2 (1904), p. 924.

[4] H.J. Tasman, ‘Calvijn en de economie’, De Economist, vol. 54, no. 1 (1905), p. 293.

[5] Ik heb bij mijn onderzoek gebruik gemaakt van J.G. Knol, ‘Economie op weg. Van klassieke via neo-klassieke naar politieke economie’, in M. van Os & W.J. Wieringa (red.), Wetenschap en rekenschap, 1880-1980. Een eeuw wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit (Kampen: J.H. Kok, 1980), pp. 401-444 en A. Kouwenhoven, ‘Economische opvattingen’, in J. de Bruijn (red.), Een land nog niet in kaart gebracht. Aspecten van het protestants-christelijk leven in Nederland in de jaren 1880-1940 (Amsterdam: Passage, 1987), pp. 135-151.

[6] Zie over Kuypers economische opvattingen John P. Tiemstra, ‘Every square inch. Reconstructing economics on Christian foundations’, in J.M. Dean en A.M.C. Waterman (red.), Religion and Economics: Normative Social Theory (Boston: Kluwer, 1999), pp. 85-98 en Bob Goudzwaard, ‘Christian social thought in the Dutch Neo-Calvinist tradition’, in W. Block en I. Hexham (red.), Religion, Economics and Social Thought (Vancouver: Fraser Institute, 1986), pp. 251-279.

[7] A. Kuyper, Souvereiniteit in eigen kring (Amsterdam: J.H. Kruyt, 1880), p. 34.

[8] A. Kuyper, Het sociale vraagstuk en de christelijke religie (Amsterdam: J.A. Wormser, 1891), p. 5.

[9] Kuyper, Het sociale vraagstuk en de christelijke religie, p. 70.

[10] A. Kuyper, De gemeene gratie, deel III, Het practische gedeelte (Amsterdam: Höveker & Wormser, 1904), p. 431.

[11] Kuyper, Souvereiniteit in eigen kring, p. 12.

[12] Kuyper, Het sociale vraagstuk en de christelijke religie, p. 25.

[13] Kuyper had overigens al eerder aandacht besteed aan deze aspecten van de sociale kwestie in een artikelenreeks in de krant De Standaard tussen 16 april tot 23 mei 1872 en in een door hem ingeleide brochure De arbeiderskwestie en de kerk. Een woord over het sociale vraagstuk (Amsterdam, H.J. van Kesteren, 1871) van een “Duitse dorpspredikant”.

[14] Kuyper, Het sociale vraagstuk en de christelijke religie, p. 20.

[15] G. Groen van Prinsterer, Grondwetherziening en eensgezindheid (Amsterdam: Johannes Müller, 1849), p. 246-247.

[16] T. de Vries, Revolutie en Evolutie in de Staathuishoudkunde (’s-Gravenhage: T.C.B. ten Hagen, 1904), voorwoord.

[17] De Vries, Revolutie en Evolutie in de Staathuishoudkunde, p. 8.

[18] De Beginselen vormde een uitwerking van een artikelenreeks in de De christen-demokraat, een antirevolutionair weekblad dat verscheen van 1902 tot 1914. Het laatste artikel van De Vries over staathuishoudkunde was opgenomen in de editie van 13 april 1904. Ik heb deze artikelen niet kunnen inzien omdat het weekblad slechts fragmentarisch bewaard is gebleven.

[19] De Vries, Beginselen der Staathuishoudkunde, pp. 3-4.

[20] Verrijn Stuart, ‘Mr. T. de Vries. Beginselen der Staathuishoudkunde’, p. 932.

[21] P.A. Diepenhorst, De Klassieke School in de Economie (Amsterdam: H.A. van Bottenburg, 1904), p. 42.

[22] Diepenhorst, Calvijn en de economie , p. 326.

[23] Zie J. de Bruijn & R.E. van der Woude, ‘Inleiding’, in P.A. Diepenhorst, Herinneringen (Amsterdam: Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme (1800-heden), 2003), pp. 14-18.

[24] De Vries, Beginselen der Staathuishoudkunde, pp. iv-v. Vgl. de voetnoot op p. 17.

[25] Diepenhorst, De Klassieke School in de Economie, p. 65.

[26] Zie over deze en andere affaires H.J. Langeveld, ‘‘Een van Uwe, principieel genomen, meest trouwe leerlingen’. Het tragische leven van mr. Tiemen de Vries, een vroege student van Abraham Kuyper’, Jaarboek voor de geschiedenis van het Nederlands Protestantisme na 1800, vol. 1, no. 1 (1993), pp. 77-108.

[27] J.A. Nederbragt, Proeve eener theorie der economie naar christelijke belijdenis (’s-Gravenhage: Drukkerij Voortvaren, 1921), p. viii.

[28] J.A. Nederbragt, Calvinisme en economie. Beginselen en beschouwingen (Groningen: J. Niemeijer, 1939), ‘Proloog’.

[29] Nederbragt, Proeve eener theorie der economie naar christelijke belijdenis, p. v.

[30] H.W.C. Bordewijk, ‘Voorlezingen over de Economie door Mr. P.A. Diepenhorst’, De Economist, vol. 63, no. 2 (1914), pp. 617-618. Vgl. p. 620: “Hij is er niet in geslaagd de brug tusschen godsdienst en oeconomie te slaan en bij het falen van dat pogen kon het wetenschappelijk karakter van zijn werk slechts winnen”.

[31] J. Ridder, ‘De grondslagen eener economische politiek naar calvinistische beginselen’, Antirevolutionaire staatkunde (driemaandelijksch orgaan), vol. 5 (1931), p. 428 en 427. Het opvallende karakter van Ridders artikel werd ook door de redactie ingezien, getuige de door haar geplaatste voetnoot op de eerste pagina: “Het is in geen enkel opzicht de bedoeling om critiek te oefenen op den inhoud van deze belangrijke bijdrage, wanneer de Redactie er nog eens de aandacht op vestigt, dat ons orgaan strekt ter bevordering van de studie der a.r. [antirevolutionaire] beginselen. Het plaatsen van een bijdrage beteekent derhalve geenszins, dat de Redactie geheel met den inhoud instemt”.

[32] Zie Diepenhorst, Calvijn, pp. 1-9; De Vries, Beginselen, h. 8-10 (‘De naam Staathuishoudkunde’); Diepenhorst, Voorlezingen, deel II, Theorie I, pp. 12-17 (soortgelijke bespreking in latere leerboeken); Nederbragt, Proeve, h. 1 (‘Het vraagstuk van den naam’); Nederbragt, Calvinisme, pp. 26-30.

[33] Diepenhorst, Voorlezingen, deel II, Theorie I, p. 17.

[34] J. Ridder, Harmonie en disharmonie in het economisch leven (Assen: G.F. Hummelen’s Boekhandel en Electr. Drukkerij, [1941]), p. 5.

[35] Diepenhorst, De Klassieke School in de Economie, p. 35.

[36] Diepenhorst, Calvijn en de economie, p. 324.

[37] Diepenhorst, Calvijn en de economie, p. 318.

[38] De Vries, Revolutie en Evolutie in de Staathuishoudkunde, pp. 38-39.

[39] Diepenhorst, De Klassieke School in de Economie, p. 34.

[40] De Vries, Revolutie en Evolutie in de Staathuishoudkunde, pp. 15.

[41] De Vries, Beginselen der Staathuishoudkunde, p. 5.

[42] Diepenhorst, Calvijn en de economie, p. 331.

[43] De Vries, Beginselen der Staathuishoudkunde, p. 44.

[44] Diepenhorst, Calvijn en de economie, pp. 314-318; De Vries, Beginselen der Staathuishoudkunde, pp. 36-46.

[45] Diepenhorst, Calvijn en de economie, p. 318.

[46] Ridder, Harmonie en disharmonie in het economisch leven, p. 5.

[47] De Vries, Beginselen der Staathuishoudkunde, p. 18.

[48] J. Ridder, ‘Het geldwezen in het licht van de a.r. beginselen’, Antirevolutionaire staatkunde (driemaandelijksch orgaan), vol. 13 (1939), p. 333.

[49] Diepenhorst, Leerboek van de economie, deel II, Theorie der economie, p. 20.

[50] De Vries, Beginselen der Staathuishoudkunde, p. 47-48.

[51] De Vries, Beginselen der Staathuishoudkunde, p. 58.

[52] De Vries, Beginselen der Staathuishoudkunde, pp. 159-160.

[53] Diepenhorst, Leerboek van de economie, deel II, Theorie der economie, p. 19. In de zevende editie van Diepenhorsts Grondbeginselen der economie (Zutphen: G.J.A. Ruys, 19457), p. 9 is nog te lezen: “Economie is de wetenschap die zich bezig houdt met het stoffelijk welvaartsstreven van de tot een maatschappij vereenigde individuen. In het middelpunt van alle economische beschouwingen dient te staan de naar Gods beeld geschapen mensch. Niet goederen, maar menschen vormen het beslissende element. De economie is niet eene warenleer, die naspoort den ontwikkelingsgang der goederen. Neen, het gaat om den mensch in betrekking tot de goederen, om de verschijnselen die zich groepeeren om ’s menschen zoeken naar stoffelijke welvaart”.

[54] Diepenhorst, De Klassieke School in de Economie, p. 41.

[55] Nederbragt, Proeve eener theorie der economie naar christelijke belijdenis, p. 17.

[56] Nederbragt, Proeve eener theorie der economie naar christelijke belijdenis, p. 16.

[57] J. Ridder, ‘Wijsbegeerte en economisch leven’, in H.J. Spier & J.M. Spier (red.), Wijsbegeerte en levenspractijk. De betekenis van de wijsbegeerte der wetsidee voor velerlei levensgebied (Kampen: J.H. Kok, 1948), p. 127.

[58] Diepenhorst, De Klassieke School in de Economie, p. 25.

[59] J. Ridder, ‘Het geloof als datum’, in F. de Vries, Economische opstellen aangeboden aan prof. mr. F. de Vries (Haarlem: De Erven F. Bohn, 1944), p. 448.

[60] De Vries, Beginselen der Staathuishoudkunde, p. 54.

[61] Nederbragt, Calvinisme en economie, p. 20.

[62] Nederbragt, Proeve eener theorie der economie naar christelijke belijdenis, pp. viii-ix.

[63] P.A. Diepenhorst, Leerboek van de economie, deel II, Theorie der economie (Zutphen: G.J.A. Ruys, 1935), p. 46 (vgl. Voorlezingen, II, Theorie I, pp. 41-42).

[64] Diepenhorst, Leerboek van de economie, deel II, Theorie der economie, p. 26 (vgl. …).

[65] De volgende observaties zijn ontleend aan H. Visser, ‘Hoed je voor profeten!’, Economisch Statistische Berichten, vol. 84, no. 4236 (1999), pp. 970-973

[66] Zie mijn ‘Dooyeweerds filosofie van de economie’, Radix, vol. 37, no. 3 (2011), pp. 191-201.

[67] J. Ridder, ‘Het geloof als datum’, pp. 446-447. Een ‘immanentiefilosofie’ is een filosofie die de werkelijkheid van binnenuit probeert te verklaren zonder te vertrekken vanuit een extern (‘archimedisch’) referentiepunt.

[68] P.A. Diepenhorst, De ontwikkeling van de wetenschap der economie in de 20e eeuw (Amsterdam: Noord-Hollandsche Uitgevers Maatschappij, 1948), p. 23.

Download

Download hier een pdf-versie van het artikel.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s