De reformatie van het economisch denken. Calvinistische economie in Nederland, 1880-1948

Diepenhorst-k

Diepenhorst

1. Inleiding

Schijnbaar vanuit het niets verschijnen in 1904 twee proeven van Calvinistische economie. Althans dit is hoe de recensenten van het gezaghebbende Nederlandse tijdschrift De Economist de boeken van mr. P.A. Diepenhorst en mr. T. de Vries omschrijven. Diepenhorst geeft in het bewuste proefschrift Calvijn en de economie echter te kennen dat er “geen sprake” van is “dat hier eene poging zou worden gewaagd, om een stelsel van economie op Calvinistische grondslag te leveren”. Het doel van zijn verhandeling is slechts “de gedachten, door Calvijn omtrent enkele economische onderwerpen verkondigd, in het licht te stellen”.[1] Ook De Vries is terughoudend in de doelstelling van zijn boek. Zijn Beginselen der Staathuishoudkunde vormt een bijdrage waarmee “de voet gezet wordt op den weg tot een wetenschappelijke behandeling der economie op den grondslag der Calvinistische beginselen”.[2] Beide auteurs geven aan het begin van de twintigste eeuw dus te kennen nog niet te zijn toegekomen aan de daadwerkelijke formulering van een calvinistische economie.

Lees verder

Advertenties

‘Goddelycke œconomie’. Economische goddelijke voorzienigheid en de commercialisering van het leven

Tucker

I.

Ruilhandel en koophandel zijn van alle tijden. Diep in de menselijke natuur, aldus Adam Smith, bevindt zich een neiging tot ruilen, handelen en het uitwisselen van het ene goed tegen het andere. Deze geneigdheid komt niet ongelegen, aangezien de mens al sinds het verlaten van het aardse paradijs wordt geconfronteerd met het economische probleem van schaarste. Omdat de mens zonder uitwisseling van goederen en diensten niet kan overleven, wordt al sinds mensenheugenis handel gedreven. Wat echter radicaal verandert in de geschiedenis van de westerse beschaving is de plaats en waardering van handel. Wat het eerste betreft heeft handel zeer lang in een kwaad daglicht gestaan. Invloedrijke denkers als Plato, Aristoteles, Augustinus en Thomas van Aquino, om slechts enkele namen te noemen, waren niet onverdeeld positief over deze basale menselijke neiging. Handel werd in de klassieke oudheid en Middeleeuwen niet zelden geassocieerd met het rijk van de ondeugd en de zonde, met name als het handel drijven met het oog op winst betrof. De koopman stond dan ook zeer laag in aanzien.

Lees verder